zondag 8-12-2019: Op welke Kerst bereiden wij ons voor?

By | Preken

2e zondag v.d. Advent.
Voordat we de 1e lezing opzij leggen als bijdrage voor een sprookjesboek, is het goed ons even te verdiepen in het tijdstip van de geschiedenis van het volk Israël, waarin deze tekst geschreven is. Het Assyrische rijk heeft in 622 v. Chr. het Noordrijk onder de voet gelopen en de bevolking weggevoerd. Nu rukt het leger op tegen het Zuidrijk Juda en zijn hoofdstad Jerusalem en de profeet Jesaja voorziet een ramp. Jerusalem zal worden ingenomen, zo verwacht hij en de koning zal worden weggevoerd. Maar na zijn waarschuwing voor dit sombere vooruitzicht, kantelt in hfdst. 11 het beeld. En dat is de tekst die we vandaag hebben gehoord :  ‘ Uit de stronk van Isaï (de vader van David) zal een nieuwe scheut opbloeien’, zegt de profeet. Die nieuwe koning zal de wereld veranderen in de richting van vrede en recht voor heel de aarde. Haast tegen beter weten in houdt Jesaja hoop op een betere wereld. Dat is immers de kern van het geloof van Israël.
In het Evangelie zien en horen wij vandaag Johannes de Doper. De mensen die in de woestijn naar hem toekomen roept hij op: ‘Kijk eens kritisch naar je manier van leven en probeer ze te veranderen waar dat nodig is.; want het Rijk der hemelen is nabij’. Jezus neemt die oproep over. Hij spreekt van ‘het Rijk Gods’, d.w.z. de wereld waar God van droomt. Jezus heeft zich altijd door die droom laten leiden in heel zijn doen en laten. Het gaat er in ons geloof om dat álle mensen kinderen zijn van God. Wij zijn kostbaar in Gods ogen. Dat heeft Jezus laten zien in heel zijn optreden. Daarom is iedere mens onaantastbaar. Daarom mag niemand een medemens knechten of gebruiken. St. Jan zegt:  ‘ Als je God wilt liefhebben, moet je Gods kinderen liefhebben’. Meer dan in vroeger dagen zijn er mensen die zeggen: ‘Laat God er maar buiten;  mensen moeten hun eigen meester zijn!’ Zonder iets af te doen aan de humane manier waarop veel mensen zonder godsgeloof met anderen omgaan, rijst toch de vraag: Is ons geluk gediend met een leven zonder God, een leven waar een mens zijn eigen meester is en de norm voor zijn handelen? Lopen we niet het risico dat het eigen ik voor ons de navel en het centrum van de wereld wordt?  Als een mens zichzelf zo belangrijk vindt, dat hij zich beschouwt als laatste norm voor zijn doen en laten, wat gebeurt er dan met de samenhang tussen mensen? Vermindert dan niet onze verbondenheid en solidariteit, terwijl  we juist telkens ervaren hoe zeer we elkaar nodig hebben in het gezin en daarbuiten. Een samenleving die alle nadruk legt op het individu schept onvermijdelijk een nieuw type mens. Eénzijdig de klemtoon leggen op de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid kan gaan ten koste van ons vermogen om te gehoorzamen. Als we leren assertief te zijn en voor onszelf op te komen, is dat een goede zaak, maar een eenzijdige opvoeding in deze richting kan makkelijk leiden tot rivaliteit en agressie. Sommigen vragen zich  af of ons christelijk geloof misschien een aflopende zaak is, nu zo velen afhaken?  Ook in de dagen van Jesaja waren er mensen die geen toekomst meer zagen voor het volk, maar de profeet wijst de mensen op een takje groen dat aan de oude stronk van Isaï ontspruit. Nieuw leven, frisser dan voorheen. Zo is ook de boodschap van Jezus actueel en onverwoestbaar. De profeet Jesaja ziet in zijn toekomstdroom een nieuw mensentype ontstaan en zegt: ‘Jullie zijn dat groene twijgje, die loot die opschiet uit de oude wortels! Er komt een tijd dat die jonge scheut vrucht gaat dragen. Je zult vervuld raken van de geest van de Heer. Dat is een geest van wijsheid en verstand, van liefde en eerbied voor God en je naaste. Je zult bij je oordeel over mensen niet langer afgaan op uiterlijke schijn, maar het opnemen voor het recht van de zwakken en je verzetten tegen uitbuiters. Een gordel van onkreukbaarheid en integriteit zal je sieren. Met sprekende beelden schildert de profeet hoe die toekomst er uit zal zien. Dieren die elkaar vaak verscheuren trekken dan samen op. ‘De panter vleit zich neer naast de geit; de wolf huist bij het lam; de jongen van koe en berin liggen naast elkaar en de leeuw vreet hooi met het rund.’ Met dergelijke beelden schetst Jesaja hoe onze wereld kan worden, als we God niet opzij zetten, maar ruimte maken voor bezinning op zijn Geheim en zijn droom. Als we aandacht en tijd schenken aan wie ons nodig hebben en armen en zwakken  tot steun zijn.
St. Nicolaas is voorbij; overal zien we feestverlichting, mensen in de weer met kerstbomen, kerstmarkten worden bezocht. Volop voorbereiding op Kerstmis. Vraag blijft: wat verwachten wij van dit feest? Waar verlangen we naar? Zijn er in ons leven zaken die we graag zouden veranderen? Hoe kan de boodschap van Jezus ons daarbij helpen? Wat heeft Hij te bieden dat bevrijdend werkt? We vieren immers de geboorte van de Verlosser, maar waar willen wij van verlost worden? Wat beklemt en verlamt ons? Laten wij bidden dat wij de dromen van Jesaja en van Jezus kunnen vasthouden en waar maken. Want een mensheid die geen dromen heeft verwildert!.  AMEN

1-12-2019: 1e zondag v.d. Advent.

By | Preken

Lezingen: Jesaja 2, 1-5; Romeinen 13, 11-14; Matteüs 24, 37-44.

We leven  momenteel in een wat turbulente tijd. Er is veel onrust in het land. Het lijkt erop, dat we lang onze gang hebben kunnen gaan wat betreft het gebruik van de aarde en dat we niet in de gaten hebben gehad wat dat voor gevolgen had voor leven en leefklimaat. We hebben gediend wat we als vooruitgang en gemak beschouwden, maar de bijwerkingen lagen niet on ons blikveld. En nu zitten we met de gebakken peren: stikstof, pfas, bodem- en luchtvervuiling en plotseling rinkelen de alarmbellen en moeten automobilisten/hardrijders, de bouw en de boeren stappen terugdoen. Zijn we in het verleden te weinig waakzaam geweest en hebben belangen een rol gespeeld bij het niet zien of willen zien van de neveneffecten? Al wat langer is er onrust over energiecentrales die op fossiele brandstoffen of atoomkracht draaien. Ondanks reacties dat het allemaal wel meevalt en dat werk en broodwinning van heel veel mensen niet in gevaar mag komen, blijft de onrust. Ook op andere terreinen is er onrust. Er zijn te weinig leerkrachten, te weinig mensen voor de zorg, voor de jeugdhulpverlening, psychiatrische begeleiding. Vrijdag j.l. werd tijdens een symposium in Wittem over ‘Onderwijs in Limburg’ gewezen op de overwaardering van het hoger onderwijs en een gebrek aan waardering voor het middelbaar en lager beroepsonderwijs. Het hangt waarschijnlijk samen met de kloof in beloning tussen hoger opgeleiden en werkers met handen en hoofd. Het lijkt erop, dat men almaar meer wil en hogerop en te weinig oog heef voor iemands werkelijke capaciteiten. Nog een bron van onrust: men hoeft tegenwoordig niet meer naar de winkel en kan digitaal kopen, maar als het artikel niet bevalt en men het terugstuurt heeft men menigmaal het geld nog niet terug. Ook dat zorgt weer voor onrust en ergernis. Er is m.a.w. onrust, omdat wat er werkelijk aan het gebeuren is vaak aan onze waarneming voorbij gaat en niet beantwoordt  aan wat we ervan verlangden of waarnaar we uitzien.  We gaan eens kijken naar de lezingen, om te zien wat we ervan kunnen leren.
Het gaat in de lezingen uit de H. Schrift over aangelegenheden van het leven. De profeet Jesaja heeft het over waar mensen naar uitzien:  eensgezindheid, een vredig samen leven een samen optrekken van allerlei verschillende volken naar de heilige stad Jeruzalem  in  gezamenlijke erkenning van de ene God. Mensen komen er tot hun recht.
Geen godsdiensttwisten meer, maar eensgezindheid.  Met als gevolg dat ook geen oorlogstuig gefabriceerd hoeft te worden, maar alleen machinerie die nodig is voor de voedselvoorziening  Een verlangen dus, een perspectief. Naar de verwerkelijking waarvan kunnen  mensen uitzien, vooral degenen, die in gebieden van oorlog en armoede leven.
De Evangelielezing spoort ons aan tot waakzaamheid.
Die waakzaamheid  krijgt dan ook nog een eigen richting, nl. de komst van de Heer. Waar duidt dat op?  We zouden altijd in ons innerlijk, in ons hart ruimte moeten houden voor de werking van Gods Geest in ons bij alle onrust zoals zojuist omschreven. Er zou ruimte moeten blijven voor goede gedachten, voor daden van goedheid voor onze medemensen. We zouden ons leven niet moeten laten  overwoekeren door de zorg en de onrust van alledag waardoor er geen ruimte meer is voor stilte, voor bezinning en gebed.  Als ons bestaan alleen maar gaat over ‘eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven’(woorden uit het Evangelie), over werk, vertier, vakantie (woorden van nu), kan God  uit ons leven verdwijnen, Het Evangelie waarschuw ons om daarvoor, omdat we dan niet meer in de gaten hebben hoe het werkelijk met ons innerlijk gesteld is. Ook dat kan ons ongerust maken. Geen oog meer hebben voor God als de altijd komende in het ,leven van degenen die voor Hem open staan. De voorbereiding op Kerstmis, Gods komst, Gods menswording onder ons, biedt ons de mogelijkheid daarmee bezig te zijn. Moge daarvoor ruimte in ons zijn.  Amen.

Zondag 24-11-2019: Christus Koning van het helaal

By | Preken

Lezingen: 2 Samuël 5. 1-3; Lucas 23, 35-43

Waar mensen samen leven in welke hoedanigheid dan ook,  als nomaden met hun vee, maar ook als ze zich gaan vestigen en de aarde gaan bewerken, dan zijn er altijd onder hen geweest, die leiding gaven: stam- of dorpsoudsten, rechters, koningen, presidenten. Ze hadden een natuurlijk gezag of hen was gezag -en de daarbij behorende macht-  toegekend of op hun schouders gelegd. Vaak deed in oude tijden de bestuurder zijn werk in Gods Naam. Zo sluit koning David vandaag in de eerste lezing in Hebron een verbond ten overstaan van de Heer met de stamoudsten. Zijn koningschap had dus een godsdienstige achtergrond. De eigenlijke Heer, die ook de koning te gehoorzamen had, was God, Hij was de blijvende heerser bij alle tijdelijkheid van koningen en magistraten, die in het Romeinse Rijk soms zelf als God aanbeden wilden worden.

In de tijd dat Jezus leefde waren niet de Joden zelf de baas maar de Romeinen. Die gunden aan de verschillende volken waar ze de baas over waren wel enige vorm van bestuur als zij zelf maar de baas bleven. De Joden hadden in die tijd in Herodes wel een pseudo-koning maar de landvoogd Pilatus was de echte baas. Die kon ook doodvonnissen vellen ondersteund door Romeinse officieren en soldaten.

De titel ‘Jezus van Nazareth, koning van de Joden’ boven aan het kruis was dan ook eerder een titel om Jezus te bespotten dan dat het zijn werkelijke positie in de politiek aangaf.  Toch had Jezus in het Evangelie van Johannes  op een vraag van Pilatus aangegeven: ‘Koning ben, daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen om te getuigen van de waarheid., en ieder die de waarheid is toegedaan luistert naar wat ik zeg’. Daarmee geeft Jezus aan wat de inhoud van zijn optreden is. Elders in het Evangelie typeert Jezus  zichzelf als ‘weg, waarheid en leven. We zouden kunnen zeggen: als we Hem volgen zijn we in de waarheid en op de weg van het leven.

Dat de soldaten, maar ook een van de met Jezus gekruisigden, Jezus’ koningschap spottend verstaan hebben we gehoord in het Evangelie. Maar de soldaten verstaan het dan ook in politieke zin en maken zich vrolijk over iemand die zich opwerpt als koning en zo af gaat. Ook een  va de met Jezus gekruisigden spot met hem, maar de ander ziet het anders.  Hij ziet in H=Jezus een rechtvaardige, die niets verkeerds heeft gedaan, terwijl hij zelf terecht gestraft wordt. Hij vraagt degenen die Jezus bespotten: ‘hebben jullie geen vrees voor God?’  Straf mag je niet zomaar of uit machtswellust opleggen, maar moet terecht zijn, is van een hogere orde, reikt tot bij God.  En, zegt hij van Jezus: ‘Hij heeft niets verkeerds gedaan’. Hij erkent in Jezus en diens Rijk van ‘weg, waarheid en leven’ en vraagt: Jezus, gedenk mij als U in uw koninkrijk gekomen bent. Zijn bede wordt door Jezus verhoord: ‘heden nog zul je met me zijn in het paradijs’.

Als Pius XI in 1925 het feest van Christus Koning instelt leven we in de tijd van de zogenoemde volkskerk, waar heel veel mensen aan meededen. Maar er waren andere tijden op komst. Vandaag moet de gedachtenis  van Christus Koning bij de afsluiting van het kerkelijk jaar begrepen worden naar zijn fundament. Geloven betekent voor ons: onszelf toevertrouwen aan Hem wiens koningschap Weg, Waarheid en Leven inhoudt  voor allen die luisteren naar zijn stem. Mogen we bij hen horen en daardoor in de waarheid zijn en op de weg van het leven. Amen.

17-11-2019: 33ste Zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Maleachi 3, 19-20a; 2 Thessalonicenzen 3, 7-13; Lucas 21,5-19.

Er zijn, beste mensen, berichten en gebeurtenissen, die we niet graag horen. Ze  beantwoorden niet aan ons verlangen naar een goed leven in welzijn. We rijgen graag de dagen in tevredenheid en geluk aan elkaar. Materieel gezien lukt dat ook aan een groot aantal mensen in ons land, maar lang niet iedereen. Maar niet alles maakt ons gelukkig. Lichamelijk en ook geestelijk kan er van alles mankeren. Diep in ons hart kan er leed zijn, soms veel leed. De oorzaken kunnen binnen ons liggen, maar ook buiten ons. Er kunnen gebeurtenissen zijn waarvoor we zelf verantwoordelijk zijn, zoals relatie-, werk-  of milieuproblemen, die we momenteel meemaken; maar ook gebeurtenissen die ons overkomen en waar we weinig aan kunnen doen. Denken we in het laatste geval maar aan mensen die te maken hebben met natuurrampen, in oorlogsgebieden wonen, of in landen van armoede Denken we ook aan kansarmen in onze eigen samenleving.

Menigeen in ons land zal momenteel de wenkbrauwen fronsen bij wat er bij ons, maatschappelijk en politiek, aan de hand is omtrent ons leefklimaat (stikstofuitstoot, p-fas); de toekomst van de landbouw; van de bouw en het grondverzet; van de winkeliers in binnensteden en dorpen. Brengen we door onze manier van doen de toekomst van onze aarde en bewoners in gevaar? Hebben we ons teveel gepermitteerd, de aarde teveel uitgebuit en belast? Moeten we er rekening mee moeten houden dat het leven op aarde stééds gevaar loopt door oorzaken van buiten als aardbevingen en tsunami’s, maar ook door ons eigen toedoen? Draagt zulk een dreiging ertoe bij, dat we ons meer gaan bezinnen op onze verantwoordelijkheid en ons gedrag en dat we ons daarnaar  gaan gedragen?

Ook van de verhalen van vandaag uit de H. Schrift worden we niet vrolijk. Ook die signaleren dreiging. Ook gelovige mensen zijn niet gevrijwaard van dreigingen die alle mensen treffen en gelovigen soms in het bijzonder. Het beleven van het geloof kan aanleiding zijn tot herrie en vervolging bij degenen die dat niet zint. Er zijn in de loop van de mensengeschiedenis heel wat godsdienstoorlogen gevoerd. Ook nu nog vinden wereldwijd aanvallen plaats op aanhangers van godsdiensten, op kerken, synagogen en moskeeën. Binnen de godsdiensten zijn er altijd richtingen, die het eigen systeem het alleenrecht op aarde willen geven. Ze missen tolerantie. Ze staan los van de vraag of en hoe vrij de eigen godsdienst mensen maakt voor de liefde tot de ander. Gelukkig hebben we aan onze kant van de wereld godsdienstvrijheid. Wel is het bij ons langzamerhand zo, dat wat meewarig gekeken wordt naar degenen die ervoor uitkomen christen te zijn en mee te doen aan kerkelijke vieringen.  ‘Gelovig zijn is toch niet meer van onze tijd. We maken zelf wel uit hoe we leven’.

Wat er ook van zij, er zullen zich altijd dreigingen voordoen van verschillende aard, levensbedreigingen; welvaartsbedreigingen door handelsconflicten, crisissen in economische systemen; vrijheidsbedreigingen door dictatoriale politieke en godsdienstige systemen.

We worden in de verhalen van de H. Schrift vandaag aangespoord om, bij wat ons ook overkomt, standvastig te blijven; het geloof en het vertrouwen te bewaren; te werken aan een betere omgang met elkaar en met de aarde die ons is toevertrouwd; en te hopen op Gods barmhartigheid, die ons niet laat vallen en ons uiteindelijk zal redden. Amen. AR.

INKLEDING VAN CLAIRE LEMMENS als misdienaar in de kerk van Eys op 17 november 2019.

 

In de parochiekerk van Matran, 6 km zuidelijk van het Zwitserse Fribourg, waar mijn medebroeders wonen, was ik getuige van de installatie van een drietal misdienaars. Dat sprak me aan. Meestal beginnen na een tijd van voorbereiding nieuwe misdienaars hun dienst en worden ze door de dienstdoende voorganger welkom geheten. Dat is het dan. Maar aan dat begin mag gerust wat meer aandacht worden  besteed want misdienaars vertegenwoordigen u allen aan het altaar. Ik ga eerst vragen:

 

Hoe heet je?
Wie zijn je ouders?
Heb je nog broertjes en/of zusjes?
Welke klas op school zit je?
Hoe ben je ertoe gekomen om misdienaar te worden?
Wie heeft je het misdienen geleerd?
Je gaat aanstonds meedoen, maar eerst gaan we je de misdienaars kleren aandoen een toog (nu rood; over een paar weken tijdens de advent: paars) en over het toogje heen een witte superplie.

Dan bidden we: Goede God moge het Claire gegeven zijn als misdienaar haar bijdrage te leveren aan onze vieringen en de voorgangers bij te staan.
En gekleed met deze misdienaars kleding nemen we je mee naar het altaar en kun je voortaan met ons meedoen tot eer van God en het ondersteunen van de aandacht van de mensen.

Applaus voor Claire

zondag 10 november 2019: Hij is geen God van doden maar van levenden

By | Preken

Als de naam Mozes wordt genoemd, herinneren we ons het verhaal van het mandje tussen het riet aan de oever van de Nijl. Zijn moeder wilde haar kind redden uit de handen van de moordende soldaten van farao, maar de dochter van farao vindt de huilende baby en adopteert hem als haar eigen kind. Als kleuter naar het paleis gebracht, wordt hij opgevoed aan het Egyptische hof. Als hij – eenmaal volwassen geworden –  ziet hoe zijn volksgenoten worden mishandeld door Egyptische slavendrijvers, wordt hij zo kwaad dat hij een van hen vermoordt. Dat betekent het einde van zijn verblijf aan het hof. Hij vlucht de woestijn in en wordt gastvrij opgenomen in het huis van Jetro, de priester van Midjan. Mozes gaat zorgen voor de kuddes van Jetro en zo trekt hij vaak diep de woestijn in op zoek  naar voedsel voor zijn dieren. U begrijpt, als je zo loopt te dwalen in een omgeving waar de stilte bijna hoorbaar is, dan gaat er heel wat door je hoofd. Wat Mozes in de afgelopen jaren heeft meegemaakt, komt hem weer voor de geest. Hij voelt zich waarschijnlijk schuldig. Zelf is hij  ontkomen aan de wraak van farao, maar zijn volkgenoten gaan nog steeds gebukt onder de slavernij. Hen kan hij niet vergeten en voelt zijn verblijf bij Jetro waarschijnlijk als een vlucht voor zijn verantwoordelijkheid. In de stilte van de woestijn krijgt hij een heel bijzondere ervaring. Op gegeven moment wordt zijn aandacht getrokken door een doornstruik die in lichterlaaie staat en toch niet door het vuur wordt verteerd. Hij hoort een stem in zijn hart die hem opdraagt naar farao te gaan en zijn volk te bevrijden. Vragend naar de naam van de Stem die hij beluistert, krijgt hij te horen:  ‘ Ik ben zoals Ik ben. Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jacob’, de God die jullie voorouders heeft geleid. Mozes ziet wel vlammen, maar geen herkenbare gestalte. Wie van ons kan een boeiender en treffender beeld bedenken voor het Mysterie van de onuitsprekelijke God, de Schepper van al wat leeft?  Ook het verbod in het O.T. om beelden van God te maken, getuigt van diepe religieuze wijsheid.
Als de Sadduceeën Jezus voor schut willen zetten met zijn geloof in een leven dat verder gaat dan de grenzen van de dood, dan herinnert Hij hen aan die ervaring van Mozes aan wie God zich bekend maakt als de God van Abraham, Isaak en Jacob. ‘Hij is geen God van doden, maar van levenden’, zegt Jezus. De vraag waarmee de Sadduceeën bij Jezus komen laat zien, dat zij het geloof in een leven na onze dood in het belachelijke willen trekken. Voor hun is dat iets onmogelijks. Ook wij moeten erkennen dat de dood ons plaatst voor een groot Mysterie. Niemand van ons kan zich een voorstelling vormen van een leven dat verder reikt dan dit aardse bestaan. Wij zien heel goed in dat ons bestaan hier eindig is en dat al wat leeft op den duur mankementen gaat vertonen en verslijt. Maar als het gaat om mensen van wie we houden, merken we ook dat we aan hen blijven denken en dat de gevoelens van liefde en verbondenheid blijven bestaan over de grenzen van de dood heen. Het feit dat wij stervelingen ons geen voorstelling kunnen vormen van een leven dat verder reikt dan onze lichamelijke dood, betekent nog niet dat het niet bestaat en dat geloven in eeuwig leven onzin is. Ieder van ons mensen kent die hij nooit zal vergeten, ook al zijn ze reeds lang geleden gestorven. De herinnering aan hen die ons zo lief en dierbaar zijn geweest, dragen wij in ons hart mee zolang als we leven. Als wij – sterfelijke mensen – dat al zo ervaren, dan kun je je afvragen: Hoe zou  God die ons uit liefde geschapen heeft en in leven houdt, hoe zou de Eeuwige ons bij onze dood plotseling kunnen vergeten als een blad dat de boom valt en vergaat? Hoe zou onze naam kunnen verdwijnen uit zijn herinnering, alsof we nooit hadden bestaan? Wie kan zich dit voorstellen? Ik in ieder geval niet.
Als mensen die ons lief zijn ons ontvallen, dan hebben we daar veel verdriet van. We voelen het gemis pijnlijk en het maakt ons misschien boos. We vragen ons af: wat heeft dat sterven voor zin en waarom nu al? God  wordt  voor ons een levensgroot vraagteken. We voelen ons dan vaak heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. We kennen momenten van vertrouwen en van diepe verlatenheid en boosheid misschien. Jezus wuift deze ervaringen niet weg, maar nodigt ons uit om ons tot God te keren met al die gevoelens, gedachten en vragen die er leven in ons hart.  De 1e lezing verhaalt ons dat het vertrouwen van die 7 zonen op eeuwig leven zó sterk is, dat ze zelfs de meest wrede martelingen doorstaan. Ze verbazen de koning en zijn gevolg  door hun geestkracht.  Heeft het vertrouwen in een leven dat verder reikt dan de grens van de dood niet alles te maken met ons beeld van God, Wie God is. God als de Barmhartige, de Liefdevolle die alle mensen wil omsluiten en niet uitsluiten. Dat is het beeld van de God waarmee Jezus is opgegroeid, de God van Mozes en de Profeten, de God van zijn ouders.  Als dat geloof ons visitekaartje is als christenen, oprecht geloof in een leven na de dood, hechten we dan ook niet meer waarde aan het leven vóór de dood? Gaan we dan niet bewuster en zorgvuldiger om met ons dagelijks leven nu? Met meer elan, meer hoop, geloof en liefde? We worden uitgenodigd erom te bidden. AMEN.

Zondag 3 november 2019: Alleheiligen/Allerzielen.

By | Preken

ALLERHEILIGEN 2019

De  vieringen van Allerheiligen en Allerzielen spreken in welke vorm dan ook, veel mensen nog altijd aan. Misschien wel omdat die herdenkingen niet alleen gaan over degen die ons zijn voorgegaan maar ook over onszelf. Dat we er zijn hebben we aan onze voorouders te danken. Mensen die ons zijn voorgegaan hebben hun idealen van een goede en rechtvaardige wereld aan ons overgedragen. Heiligen zij  voor ons een voorbeeld. Onze herinneringen spelen een rol als we gedenken, die ons in leven en dood zij voorgegaan.  Ze hebben het leven voltooid waarmee wíj nog bezig zijn.
Hebben we het over Allerheiligen dan mogen we bij onze eerbied niet vergeten, dat ook zíj ‘gewone’ mensen zijn geweest, zoals wij ‘gewone’ mensen zijn. Ze werden geboren in hun tijd en hun eigen milieu. Ze hadden hun eigen aanleg, hun mogelijkheden en beperkingen; ze werden opgevoed en ontwikkelden zich. Ze hadden hun geluk en verdriet, hun verwachting en hun teleurstelling, hun slagen en tekortschieten. Maar het is hun gelukt om in hún omstandigheden en met hún mogelijkheden waardevolle mensen te zijn Ze zijn erkend en gewaardeerd door hun medemensen, tot voorbeeld genomen, tot beschermheilige benoemd en te hulp geroepen. Een aantal  beelden van heiligen en afbeeldingen staan in onze kerken. (In Eys Maria en Jozef, Agatha, Sebastiaan, Antonius, Barbara, Theresia en Gerardus en Anna).
Het is alsof ze tegen ons zeggen: ‘houdt goede moed, ‘wij hebben onze bestemming bereikt. Ook voor jullie is het mogelijk om, bij alles wat op je afkomt in het leven, een goede, liefdevolle en waardevolle mens te zijn, van positieve betekenis voor degenen met wie je leeft’.  ‘Dat hetgeen de moeite waard is ook  moeite kost hoort bij het leven.   In het Evangelie van Allerheiligen, een gedeelte van de Bergrede van Jezus bij Mattheüs, vinden we een aantal ‘zaligsprekingen’, die richtinggevend zijn voor christenen, door de doop in God geheiligd;  richtinggevend ook voor de praktijk van leven van de verklaarde heiligen.
Ze waren ‘arm van geest, hadden geen pretenties en stonden niet op tegen God; ze hadden verdriet om wat er allemaal mis is in onze wereld en hunkerden naar gerechtigheid voor iedereen; ze waren zachtmoedig en barmhartig. Ze waren zuiver in hun bedoelingen en brachten vrede in hun omgeving. In tijden van vervolging hielden ze vol, vooral ook als dat was omwille van hun geloof in Jezus Christus.
De auteur van het Boek van de Openbaring, het laatste boek in onze Bijbel, ziet een grote mensenmenigte voor Gods hemelse troon. Het zijn degenen, die hun aardse leven hebben doorstaan en volbracht. Ze zijn door hun positieve manier van leven op hun voorhoofd gestempeld zijn met het zegel van de levende God. Ook dat is een manier om uit te drukken, dat het bij alle wederwaardigheden mogelijk is als een mens van God, liefdevol en waardevol te leven en opgenomen te zijn in Gods omgeving.
Allerheiligen is een feest ook bedoeld om ons te bemoedigen op onze levensweg met alles wat we daarop kunnen tegenkomen. Heiligverklaarden, erkend door het gelovige volk en de kerkelijke overheid, zeggen tegen ons: ‘met behulp van Gods genade hebben wij in liefde geleefd. Houdt goede moed. Ook jullie zijn met Gods hulp daartoe in staat en uiteindelijk  je bestemming bereiken’.  Amen. AR

ALLERZIELEN 2019

Wij zijn hier vanmiddag in onze parochiekerk bij elkaar gekomen om te gedenken die ons  zijn voorgegaan: familieleden en mensen uit onze omgeving. De dood blijft een ingrijpend gebeuren, dat een definitief einde maakt aan ons aardse leven.  Onze overledenen hebben deel uitgemaakt van ons leven. Het Boek Prediker omschrijft wat bij ons aards bestaan hoort. We gebruiken dat nu als 1e LEZING ((door lector):

er is een tijd van leven voortbrengen en van sterven,
een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen,
een tijd om te huilen en een tijd om te lachen,
een tijd om te rouwen en een tijd om te blij te zijn
een tijd om te ontvlammen en een tijd om te verkillen,
een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken,
een tijd om lief te hebben en een tijd van afkeer,
een tijd van oorlog en een tijd van vrede. (Prediker hst 3)

Onze dierbare overledenen hebben dit alles ervaren en beleefd, zoals wij nu in onze tijd. Zij maakten op een of andere manier deel uit van ons eigen leven. Ze stonden aan de oorsprong ervan, maakten deel uit van ons gezin, van onze familie, vriendenkring of  ons dorpse samenleven.  Maar dan is er ‘dood’, soms midden in het leven;  de verstarring, het zwijgen, en de stilte van de dood. Die stilte is  zo anders is dan wanneer wij, levenden, stil zijn. De dood plaatst ons voor een groot geheim.   Wij zoeken te begrijpen, verlangen de zin van leven en dood in te kunnen zien. In  bijbel en cultuur vinden we teksten en tekens, die ons zeggen dat, dat definitieve dood niet het laatste woord heeft. De dood raakt ons ten diepste. Wij weten van onze eigen eindigheid.  De dood is het definitieve einde van ons aardse bestaan.  Leven we voort? Onze ouders leven voort in ons, hun kinderen. Zij en andere overledenen leven voort in onze herinnering. Wij, nu levend, bouwen voort op wat generaties vóór ons hebben nagelaten. Voor menig volk in de oudheid leefden de geesten of zielen van de overledenen voort in de onderwereld.
Ook in het Evangelie vinden we aanwijzingen. We leren daaruit dat alles wat we doen uit liefde, barmhartigheid, vergevingsgezindheid al eeuwigheidswaarde heeft. Pasen leert ons, dat God opgewassen is tegen de dood. Nieuw leven heeft met Pasen het laatste woord. De opwekking door God van Jezus heeft zijn gevolgen voor die in Hem geloven. De apostel Paulus zegt daarover in zijn brief aan de christenen van Rome het volgende:
‘Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood?
Wij zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om,zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. Als wij delen in zijn dood zullen we ook delen in zijn opstanding.

De tekst geeft ons een eigen en hoopvolle  kijk op leven en sterven van onszelf maar ook van onze dierbaren. Wellicht met vallen en opstaan, in vreugde en verdriet, in hoop en twijfel, soms  onmachtig, soms teleurgesteld, soms opgetogen hebben zij hun leven geleid. Dat alles is niet vergeefs geweest, zoals uit de woorden van zojuist valt op te maken. Hun leven in geloof, al het goede, dat zij op onze wereld tot stand gebracht hebben, hun daden van goedheid en liefde voor hun familie en andere medemensen, heeft waarde tot over de grens van hun dood heen. Laten we vandaag ons onze overledenen gedenken, maar hen ook vragen ons te helpen dat ook wij goed terecht komen. AR