zondag 11-8-2019: 19e zondag door het jaar.

By | Preken

LOOP JEZELF NIET VOORBIJ; MAAK EEN SCHAT IN DE HEMEL.

‘Maak voor jezelf een schat in de hemel!’ Wat bedoelt Jezus, als Hij dat tegen zijn leerlingen zegt? Heel lang hebben mensen de hemel beschouwd als een ruimte die tegenover de aarde staat. Als mens moest je de aarde en aardse genoegens negeren en je richten op de hemel, het hiernamaals.  Als Jezus  spreekt over de hemel, doelt Hij niet op een plek ergens anders, waar je na je dood hoopt te komen. Hemel is een ander woord voor het Rijk van God, dat hier op aarde komt, als wij ons verbonden weten met elkaar en met Gods schepping. In wezen zegt Jezus: Laat je hart niet beslag nemen door zorgen om materiële zaken, om jezelf en de toekomst. Richt  je aandacht en je hart op die grote, vrije ruimte van Gods koninkrijk. Richt je op een geluk dat niet vergaat en dat je vindt in het hier en nu. Het wordt je geschonken door de hemelse Vader als een schat. Zijn Rijk is er al. Wij leven er al in. U zult zeggen: ‘Nou, daar merk ik bitter weinig van, als ik al die ellende in de  wereld zie: aanslagen, armoe, vluchtelingen, oorlogen. Toch is het er al, dat Rijk van God, zoals de zon er altijd is. Op bewolkte dagen blijft ze voor onze ogen verborgen, maar af en toe breekt ze door. Juist in donkere tijden merken we die straaltjes van licht het meest op: gewone menselijkheid, die uitstijgt boven de materie. Dat licht,  die signalen van menselijkheid merk je op, als je aandacht hebt voor je schat. Het is niet eenvoudig, ja veeleer een kunst te leren herkennen wat er hoort bij Gods koninkrijk. Waar kun je aan denken als Jezus spreekt over die schat in de hemel? Misschien in de 1e  plaats aan verbondenheid met de schat in jezelf. Als aan bisschop Tiny Muskens gevraagd wordt: ‘Wanneer voelt U zich het meest gelukkig? ‘, dan is zijn antwoord: ‘Als ik me helemaal in mijn element voel; als ik diep van binnen weet: dit hoort bij mij, bij wie ik ben, bij wat ik kan.’ Ik denk  dat dit voor ons herkenbaar is: een gevoel van diepe voldoening, veel dieper dan de vreugde die de aankoop van iets materieels ons kan geven. Je in je element voelen is een schat die onbetaalbaar is en die niemand ons kan afpakken. Zo’n schat kan ook je werk zijn, waar je blij mee bent, omdat je er je talenten in kwijt kunt. Het kan je gezin zijn of een liefhebberij waar je je met hart en ziel aan wijdt.
Een ander voorbeeld: Een vluchteling vertelt dat hij als kind van acht met zijn ouders in Nederland kwam wonen. ‘In het begin was dat zwaar’, zei hij, ‘maar we werden goed opgevangen door een ouder echtpaar. Elke week mochten we bij hen een keer komen eten We keken daar naar uit. Mijn ouders kregen van hen allerlei informatie en goede raad. We deden spelletjes en leerden de taal. We waren even weg uit dat asielzoekerscentrum. Het heeft ons zo goed gedaan. Die mensen weten maar half hoeveel ze ons hebben gegeven’. Hij koesterde die ervaring van onbetaalbare goedheid als een blijvende schat die door geen mot kan worden aangetast. M.a.w. het zijn ervaringen die je kunnen overkomen. Je kunt ze niet kopen, maar ze zijn van zo onschatbare waarde dat je ze nooit vergeet. Je kunt er hooguit attent op zijn.  Over dat attent en waakzaam zijn gaat het in het 2e deel van het Evangelie: ‘Sta klaar, doe je gordel om, houd de lampen brandend’, zegt Jezus. Je kunt ook zeggen:  Je moet het licht wel wìllen zien. Je moet er een antenne voor ontwikkelen. Zorg dat je Gods licht niet dooft. Hoe makkelijk kunnen we nl. in deze vaak donkere wereld vervallen in cynisme of agressie. In de parabel vertelt Jezus van een dienaar die slordig, niet waakzaam is en zelfs geweld gebruikt tegen zijn ondergeschikten. Hij vervalt in immoreel gedrag. Dan dooft het licht en word je een onmogelijk mens. Je ziet dan ook de momenten van vreugde en menselijkheid niet meer. Waakzaamheid, rust,  jezelf niet voorbij lopen: het zijn voorwaarden om de schatten op je levensweg te herkennen en ze als geschenken te ontvangen.
Als we alles uit het leven willen persen, alles willen meemaken en voortdurend  op de vlucht zijn voor de stilte, bang voor het alleen zijn, op de vlucht voor ons zelf, hoe zullen we dan ooit de verborgen schatten van Gods koninkrijk herkennen?  Veronderstel dat God ons wil aanspreken, dan moet Hij met spijt in het hart zeggen: ‘Die mens is nooit thuis. Die komt nooit in zijn eigen hart!’ Veronderstel dat Hij ons wil verrassen met  de glimlach van een medemens,een mooi vergezicht, een wei met veldbloemen of prachtige zonsondergang. We zouden het niet eens merken. Veronderstel dat Hij ons nodig heeft om een mens met diep verdriet op de been te helpen. Hij zal vergeefs bij ons aankloppen. Wij horen en merken het niet op. Dat bedoelt Jezus als Hij zegt: ‘Houd je lendenen omgord’. Het gaat Hem om onze binnenste kern: onze voelhorens om God te vinden. De middelpunt zoekende kracht in ons: stil durven worden, luisteren en in wat we meemaken peilen naar wat God van ons wil. Wat wij hier in de kerk doen is elkaar herinneren aan Gods beloften. We bidden en zingen samen. We zoeken Jezus te ontmoeten onder de tekens van brood en wijn. En dat alles om te beseffen welke schat ons wordt gegeven, een schat zoveel meer waard dan wat de wereld ons biedt. Jezus zegt ook tegen ons: ‘Wees niet bang en heb vertrouwen. Het koninkrijk word je gegeven. Kijk maar; het is al begonnen. AMEN.

zondag 4-8-2019: 18e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Prediker 2,2; 2,21-29; Kolossenzen 3, 1-5.9-11; Lucas 12, 13-21

Aan onze kant van de wereld hebben we de mogelijkheid om voor een groot gedeelte te bepalen wat we willen. De welvaart van de doorsnee burger is groot genoeg, over onze vrijheid van meningsuiting hoeven we ook niet te klagen, onze keuzemogelijkheden voor de tijd dat we vrij hebben kan er ook best mee door. Dus rekenen we erop, dat we zelf plannen kunnen maken en lijnen uitzetten hoe ons leven zal verlopen. Maar helemaal zeker zijn we daar niet van. Dat word je gewaar bij een plotseling sterfgeval, of bij een ongeluk, bij een verlammende ziekte, of voortschrijdende dementie, bij een faillissement waarbij mensen hun baan kwijtraken. Dan ontdek je dat je het leven niet zo maar in handen hebt, maar dat het je ook gegeven is of je overkomt. Een ontworpen scenario kan dan in elkaar storten.

Dan komt de vraag op: hoe ons leven te leiden? Wat is wijs. Zelfs de uitdrukking: ‘een voltooid leven’, neemt de kwetsbaarheid en de eindigheid ervan niet weg.

Het thema dat door de lezingen uit de H. Schrift wordt aangereikt gaat over de betrekkelijkheid van ons aardse leven, van veel waar we ons druk over maken; over de illusie waaraan we kunnen lijden, dat we zelf over het leven beschikken, terwijl het ons gegeven is.

We lazen een stukje uit het Boek Prediker. Het hoort tot de Wijsheidsboeken van ons zogenoemde Oude of Eerste Testament, het eerste deel van onze H. Schrift. Het is geschreven waarschijnlijk in de derde eeuw vóór Christus en klinkt verrassen modern, vooral in de woorden van de Bijbelvertaling van 2004. De wijze auteur van het boek meent dat er veel leegte schuil gaat in al het gejakker en gejaag, in het tomeloos zoeken naar bevrediging van onze verlangens. Tenslotte kan een mens niets meenemen van wat hij allemaal heeft verworven en moeten we alles achterlaten. Gejaag en gejakker maken ons onrustig, laten ons niet stilstaan bij de dingen in dankbaarheid om te genieten van wat we hebben ontvangen. Zelfs echt genieten valt moeilijk. We moeten vooruit naar meer en beter en groter. Dat alles is terug te vinden in de rest van het boek.

Een voorbeeld vinden we nog in de tekst uit het Evangelie uit de lessen van Jezus met zijn leerlingen naar Jeruzalem, vergezeld van leerlingen en vele anderen in een wisselend samenstelling. Het gaat over een investeerder, die zijn geld steekt in het bouwen van schuren voor zijn overvloedige oogst en denk daarna onbekommerd te kunnen leven van zijn bezit. Hij is het besef kwijtgeraakt van de betrekkelijkheid van het leven, dat ons gegeven is.

Hij overlegt en maakt plannen, spreekt zichzelf toe alsof hij het zelf allemaal voor het zeggen heeft. Zet daar heel zijn toekomstverwachting op in.

De conclusie: zo gaat het met iemand die rijkdom verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God. Bij Hem word je rijk door de blik niet uitsluitend te richten op jezelf maar oog te houden voor de vraag: wat ik doen voor de ander; hoe kan ik leven en goed met de ander delen, vandaag en morgen en overmorgen. Zo iemand kan rekenen op grote rijkdom me eeuwigheidswaarde bij God. Amen. AR

zondag 28-7-2019: 17e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Genesis 18, 20-32; Kolossenzen 2, 12-14; Lucas 11, 1-13

Mijn Vlaamse medebroeder, Achiel Neys overleden in 2013 was gevangenisaalmoezenier in Leuven en criminoloog, misdaaddeskundige. Hij maakte studie van hoe een mens tot  misdaad komt, de achtergronden van de misdadiger, de betekenis van milieu en opvoeding, de plaats in de samenleving of het mankeren daarvan.  Hij had een groot invoelingsvermoge. Hij bleef de gedetineerde beschouwen als mens, als een van ons. Degenen die buiten de gevangenis verbleven waren daarmee niet superieur aan die er binnen waren. Achille was een man niet van goedpraten, maar van mededogen. De Franssen zeggen: ‘alles weten, is alles vergeven. D.w.z. als men alle achtergronden kent, alle omstandigheden, het klimaat waarbinnen en de manier waarop men is opgegroeid, bagatelliseert men de misdaad niet. Die blijft men afkeuren. Men komt echter wel tot vergeving. Degene die fout zat krijgt de kans van een nieuw begin. Op die manier is God met de mens, met ons, omgegaan door de geschiedenis heen.  Hij vergeeft zijn mensen hun heimelijk en openlijk kwaad en geeft de kans van een nieuw begin. Er moet wel basis zijn waarop dit mogelijk is. En zelfs die basis wordt door God gelegd.  Van God komt de spijt om de ongerechtigheid en het verlangen anders te gaan leven.  In Sodom moesten er enkele goede mensen zijn, die levend in gerechtigheid voor de slechteriken teken zouden zijn van Gods goedheid. Ze zouden basis bieden aan God om de stad te sparen. Abraham, vader van alle gelovigen genoemd, wist dit resultaat bij God te bewerkstelligen, begaan als hij was met mensen van ons soort. Welnu als gelovigen worden we uitgenodigd voor elkaar zo goed als God te zijn. Dat vraagt erom dat we ons keren tot Gods opvattingen, zoals we die vinden in de H. Schrift.
In onze mensenwereld gaat het in het strafrecht er anders aan toe. Daar gaat het om het herstel van de rechtsorde en de bescherming van de samenleving tegen mensen die kwaadwillend zijn en/of lijden aan een de samenleving bedreigende  persoonlijkheidsstoornis.  Dat herstel van de rechtsorde en de genoegdoening van de benadeelden gebeurt door straf en boete, in een aantal landen zelfs door het tenuitvoerbrenging  van de doodstraf. Maar ook de gestraften hebben rechten. Degenen, die hun straf hebben uitgezeten hebben (formeel) het recht weer een plaats in de samenleving in te nemen. Ze komen echter meestal niet af van wat ze in het verleden hebben misdaan en dragen het levenslang met zich mee. Afkeer van degene die fout was wint het dan vaak van mededogen en vergeving.
Verhalen, zoals in de H. Schrift vandaag, pleiten juist voor mededogen, voor vergeving, voor het krijgen van nieuwe kansen. De verhalen uit de H. Schrift ontkennen niet de ernst van het kwaad, integendeel. Het leidt tot dood en verderf. Maar God verschijnt daar toch ook als de barmhartige. Kijk maar naar het Onze Vader. Jezus leert ons tot God te bidden als tot onze Vader We vragen Hem dat Hij ons vergeeft, nota bene zoals wij vergeven aan die ons iets schuldig is. Zo groot moet onze vergevingsgezindheid zijn, dat God zijn vergevingsgezindheid daaraan kan meten. Het Evangelie van Lucas vertelt daarna een verder verhaal van Gods goedheid, maar weer in vergelijking met ons. Hij is als een vriend die een lastige vriend, die hem op een ongelegen tijdstip om hulp komt vragen, toch tegemoet komt. Hij is als ouders, van welk kaliber ook, die goed voor hun kinderen zorgen. God zorgt vooral voor ons door ons zijn Geest te schenken, die ons helpt te zijn en te doen zoals door God bedoeld. Een Geest die ons vormt tot mensen die elkaar tegemoet komen; mensen, die de afkeuring van het kwaad ook aanvullen met mededogen, vergeving en verzoening. Die eigenschappen leiden uiteindelijk tot genezing en verbetering van leven, eerder dan de onverbiddelijke eis tot gerechtigheid zonder mededogen. Mogen we voor elkaar zo goed zijn als God. Amen AR

 

Zondag 21-7-2019: 16e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen Genesis 18, 1-10a; Kolossenzen 1, 24-28; Lucas 10, 38-42.

Aan de zorg voor ons leven besteden we alle aandacht. We willen onze tijd tussen geboorte en dood graag zo zinvol mogelijk doorbrengen. We werken ervoor, verzorgen onszelf. Als sociale wezens géven we aandacht en hebben we aandacht nódig. Daartoe maken we van de ene kant onszelf ook nuttig en profiteren we van de andere kant van wat anderen allemaal voor ons doen.  We rijden op wegen, die we niet zelf hebben hoeven aan te leggen; we hoeven maar naar de supermarkt t gaan en vinden er een keur van levensmiddelen door anderen gemaakt en ingepakt. We hebben aan onze kant van de wereld de zorg voor ons leven goed voor elkaar, al blijven er nog altijd mensen onder ons die buiten de boot vallen; en zijn er ook nog die bewust of door ziekte niet deelnemen aan het werkzame leven, dat ons leefsysteem in stand houdt. We kunnen dankbaar zijn aan het adres van de generaties vóór ons en aan het adres van de mensen van nu voor onze mogelijkheden en garanties van leven op dit moment.

De Bijbelteksten van vandaag  benadrukken in ons werkzame en zorgende leven de  waarden van de gastvrijheid en van het luisteren naar de ander/Ander.  Abraham, een nomade, ervaart in de moeilijke en karige  omstandigheden van zijn soort leven aan de rand van de woestijn gastvrijheid als een heilige plicht. Gasten zijn niet zomaar voorbijgangers, zoals op een camping mensen gaan en komen. Gasten die aan Abrahams tent aanlanden zijn voor hem bijzonder, niet alledaags; ze zijn hem heilig , in de drie mannen ziet hij God aanwezig. (Het lijkt wel de Drie-eenheid, God in 3 gestalten) Hij heet hen welkom en doet alles om hen goed te ontvangen; hij geeft wat hij heeft, onbaatzuchtig. Hij is niet gastvrij om er iets voor terug te krijgen. Hij weet ook niet of hij zijn gasten nog ooit zal zien. Maar een dergelijke levenshouding wordt van Godswege beloond. Abraham luistert naar wat zijn gasten te vertellen hebben.  Het volgend jaar, bij een nú door hen aangekondigd nieuw bezoek, zal het al bejaarde echtpaar de zo verlangde zoon hebben als stamhouder. Abraham, ook genoemd de vader van alle gelovigen, ervaart datgene wat hij meemaakt niet als iets gewoons. Het kan zijn dat de rust en de stilte in het leven als nomade hem ontvankelijk maakt voor het bijzondere in het leven.
Hier sluit het Evangelieverhaal op aan. Jezus is in het Evangelie van Lucas met zijn leerlingen, en een soms grotere, soms kleinere groep mensen, op tocht naar Jeruzalem. Onderweg onderricht hij en maken hij en zijn metgezellen van alles mee. Zo ook bij de zussen Marta en Maria bij wie Jezus met zijn metgezellen aanlandt. Gastvrijheid spreekt ook voor de zussen vanzelf. Nu zijn er, zoals we weten bij het ontvangen  van gasten twee dingen belangrijk: de zorg dat hen niets te kort komt; maar ook de belangstelling voor hen als persoon; het luisteren naar wat ze te vertellen hebben over hoe ze het maken, hoe het leven voor hen verloopt en wat er belangrijk voor hen is. En luisteren is ook in ónze, overdrukke tijd ontzettend belangrijk. Er is, ook bij ons, een grote behoefte om gehoord en gezien te worden. Maar de mogelijkheid tot luisteren loopt gevaar te worden weggenomen door drukte, door lawaai en doordat iedereen tegelijk aan het woord wil komen.

Aan zorg dat het gasten aan niets ontbreekt is niks mis, het is de kant die Marta behartigt, haar activiteit; Maria luistert, is ontvankelijk voor wat de ander, in dit geval Jezus, te vertellen heeft. En de ander, daar gaat het om. Na de woorden van Jezus dringt het waarschijnlijk ook tot Marta door, dat wat zij doet, ook te maken heeft met aandacht voor de ander. Echter het luisteren, zoals Maria dat doet is daarbij nodig. Dat de meesten van ons materieel niet te kort komen en daardoor ook gasten goed kunnen ontvangen mag  ons helpen tijd vrij te maken voor het luisteren naar de ander. We kunnen ervan leren. Amen. AR.

Zondag 14-7-2019: 15e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Deuteronomium 30, 10-14; Kolossenzen 1, 15-20; Lucas 10, 25-37.

In onze samenleving met zijn vele culturen, godsdiensten en levensopvattingen is de christelijke kijk op het leven hoe langer hoe meer op de achtergrond aan het raken. Laat staan dat men die kijk op het leven zo belangrijk acht, dat men zijn leven inzet op het promoten ervan. Duidelijk wordt het o.a. daaraan dat kandidaten voor het priesterschap, het diaconaat en het leven in een kloostergemeenschap nauwelijks nog bij mensen van hier te vinden zijn. Ons bisdom heeft in Cadier en Keer een grootseminarie met kandidaten van alle mogelijke landen van de wereld maar niet van hier. Ze studeren in  Rolduc met een aantal mensen uit India, die hier de taal leren om een aantal jaren ons bisdom als priester van dienst te zijn. Kloosterlingen vergaat het net zo.  De zusters van Heerlen, op hun hoogtepunt met 2000 leden zijn u nog met geen honderd meer. Redemptoristen van Wittem op hun hoogtepunt met zo’n 400 leden in 15 eigen kloosters en retraitehuizen in Nederland (buiten die in Brazilië en Suriname) hebben na verkoop van Wittem geen eigen huizen meer. Is dat pijnlijk? In zekere zin ja, vooral voor degenen, die hun  hart verpand hadden aan de vaan eeuwenoude traditionele katholieke gewoonten en gebruiken. Maar er is ook een andere kant. Dat wat we meemaken nodigt n.l. uit tot bezinning? Gods wegen, leerden we vroeger al, zijn (vaak) niet onze wegen. We ontdekken nu ook (opnieuw soms) andere dingen in de H. Schrift, omdat de omstandigheden nu anders zijn dan vroeger. We lezen onze heilige boeken anders. We leven nu, bijvoorbeeld met de vraag hoe we de verschillende culturen en levensopvattingen in ons land moeten waarderen. Hebben de mensen die geen christen zijn het allemaal bij het verkeerde eind? Of kunnen ook zij laten zien, dat ze kinderen zijn van God? Vinden we daarvoor aanwijzingen in de H. Schrift?  Vandaag vinden we een voorbeeld.

De mensen uit Samaria werden door die van Judea als ketter beschouwd die zich niet aan het ware geloof hielden. En juist een van hen troeft in waarachtige naastenliefde de bedienaars  van de tempel in Jeruzalem af, een priester en een leviet. Zij lopen met een grote boog om de berooide en gewonde man heen. Het was hen met al hun vroomheid te lastig om de gewonde man te helpen. Jezus geeft aan dat een dergelijke uiterlijke vroomheid te kort komt. Hij heeft is zijn verkondiging en manier van leven aangegeven, dat de liefde tot God, het eerste gebod, gelijk moet zijn aan het tweede, de liefde tot de naaste. Die geboden liggen verankerd in de mens zelf, in zijn geweten. De eerste lezing van vandaag geeft dat aan. Die is genomen uit het laatste van de 5 boeken waarin Mozes aanwijzingen geeft aan zijn mensen. Zijn vijf boeken samen vormen de zogenoemde Wet van Mozes. Die zegt: Gods geboden zijn niet veraf en je hoeft ze niet ver te zoeken,  maar ze liggen binnen ons bereik. ‘Het woord (der geboden) is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen’, zegt de tekst. Ieder mens voelt van binnen aan aan dat iemand in nood geholpen moet worden. Hoe dat gebeuren moet wordt er niet bij gezegd. De Samaritaan doet dat overeenkomstig zijn mogelijkheden.
Wij overeenkomstig de onze, zowel de grote als de kleine noden. Het grote armoede- en vluchtelingen vraagstuk in onze wereld moeten tegemoet getreden worden met onze mogelijkheden, politiek met economisch. Landen in oorlog met vredesonderhandelingen door landen die ertoe in staat zijn en bevoegd door de internationale gemeenschap. Voor mensen in nood moeten heb- en gemakzucht en eigenbelang wijken. We zijn zelf menigmaal beperkt in onze mogelijkheden. Willen we echter werkelijk godsdienstig zijn, dat zullen we die beperkte mogelijkheden evengoed om mensen in nood te helpen. Laten we daarbij ook niet vergeten de goedheid te erkennen die zichtbaar is in degenen, die niet qua cultuur of godsdienst bij ons horen. In hun medemens nabij-zijn staan zij dicht bij God. AR

Zondag 7-7-2019. De oogst is groot……

By | Preken

Als mensen met de auto op vakantie gaan nemen ze vaak zoveel mee dat het lijkt op een verhuizing. Wie met de fiets gaat, zal zijn bagage beperken. Teveel bagage belemmert immers het fietsen. Wie met een rugzak op pad gaat, zal nog minder meenemen en beperkt zich tot het hoogstnodige. Wij sjouwen in ons leven vaak heel wat bagage mee. Ik denk dan niet alleen aan materiële zaken, maar ook aan alle regels en voorschriften,  gewoontes en opvattingen, waarden en normen. Vaak zijn we zo vol, dat er geen ruimte meer is om ons open te stellen voor nieuwe dingen, andere culturen en ideeën. Veel bagage – letterlijk en figuurlijk – lijkt makkelijk, maar je hebt er vaak meer last van dan nut. Je moet voortdurend alert zijn en bent bang iets kwijt te raken. Door steeds op je hoede te zijn heb je minder tijd om mensen te ontmoeten, te genieten van spelende kinderen en de wonderen van de natuur. Kortom minder tijd om rust en vrede te vinden, te genieten van je vrijheid en het gezelschap van mensen die je dierbaar zijn.                                      Die bagage komt ook aan de orde, als Jezus in het Evangelie van deze dag 72 mensen op pad stuurt. Eerder heeft Hij al zijn twaalf apostelen erop uit gestuurd om mensen te vertellen van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Maar blijkbaar is dat niet voldoende. Heel de wereld mag delen in de vrede en vreugde van dat koninkrijk. Zijn volgelingen hoeven niet alleen te gaan. Twee aan twee zendt Jezus hen uit. Want wie alleen gaat, is kwetsbaar en raakt vlug ontmoedigd bij tegenslag. Bovendien: het getuigenis van twee is meer waard dan van één. Twee aan twee kun je elkaar aanvullen, bemoedigen en steunen. De leerlingen worden er niet op uitgestuurd om mensen te bekeren of te beleren of voorschriften uit te delen. Ze gaan vrede verspreiden. Hun begroeting en eerste woord moet steeds zijn: ‘Vrede zij met jullie, vrede aan dit huis!’  Stellen die mensen dat niet op prijs:  geen discussie, maar ga gewoon verder.  Eet wat de pot schaft en genees de zieken die je tegenkomt. Biedt een luisterend oor aan mensen die hun verhaal kwijt willen en bemoedig en troost wie teleurgesteld zijn. Jezus zegt: ‘De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag dus de eigenaar van de oogst om arbeiders te sturen’. Heel vaak zijn deze woorden uitgelegd als een oproep priester, zuster, missionaris of broeder te worden. Natuurlijk zijn zulke mensen van harte welkom, maar dat is niet de eerste uitleg van deze uitspraak van Jezus. Eigenlijk zegt Hij gewoon tegen zijn vrienden – en dus tegen ieder van ons – ‘Als je samen optrekt, heb het dan eens niet alleen over voetballen of over het weer. Kijk eens met elkaar hoeveel eenzaamheid er is en hoeveel mensen zitten te snakken naar een beetje aandacht. De oogst is groot. Heb het eens samen over wat je belangrijk vindt in je leven en over wat je niet wilt verliezen.  Als je zo met elkaar optrekt, heb je niet veel bagage nodig of geld. Immers de echte bagage zit van binnen, in je hart. Die bagage is een bepaalde manier van luisteren naar elkaar; een houding van openstaan voor de ander, niet oordelen, maar hem/haar echte aandacht geven en op verhaal laten komen. Het is een houding die getuigt van vertrouwen in de ander en van hoop. Onze opdracht is: verbondenheid scheppen en vrede stichten. Die beperkte bagage volstaat ook als we mensen zoeken die mét ons bewogen zijn om het geluk van hun naasten en hun schouders willen zetten onder de belangen van de gemeenschap en de toekomst van onze aarde. Als Jezus ons op pad stuurt, gaat het Hem erom dat wij elkaar het belang laten zien van diepgang, van een goede richting in het leven en van een perspectief dat net iets verder gaat dan de bevrediging van onze eerste behoeften.
Als wij hier in deze ruimte samenkomen, gaat het erom dat we ons laten voeden door de verhalen die hier klinken en die ons leven richting geven.  We worden uitgenodigd tot een houding van verwondering en gebed en tot  gesprekken waarin we elkaar inspireren en bemoedigen. De oogst is groot. Er valt veel te ontdekken op die weg, veel te ontmoeten als we ons voor anderen open durven te stellen. We zullen ervaren dat we gelukkiger worden, als we merken dat we niet alleen staan en dat we groeien aan het contact met elkaar. Laten wij samen bidden om het licht en de moed van de H. Geest, zodat we ontdekken hoe wij als geschikte arbeiders kunnen functioneren in de oogst van de Heer. AMEN.

Zondag 23-6-2019: Processie Piepert.

By | Preken

SACRAMENT VAN DE ONTMOETING

Uit veel vakantieverhalen blijkt dat het bezoeken van kerken een favoriete bezigheid is van toeristen. Of je nu gelovig bent of niet: er is veel te zien in die vaak oude gebouwen.

God is natuurlijk niet zichtbaar, maar toch voelen we ons met al die beelden, gekleurde ramen en afbeeldingen om ons heen a.h.w. omgeven door een zekere heiligheid. We ervaren vaak de gewijde sfeer die er hangt. Sommigen ervaren het kijken naar die ramen, beelden en schilderingen als een ontmoeting. Je kunt tot het besef komen dat God in de afgebeelde figuren onze aandacht wil trekken. In de bijbelse verhalen merken we dat ook. Zo is er sprake van mensen die worden genezen, of van engelen of profeten. Als God onze aandacht probeert te trekken, heeft Hij  vaak te maken met zware concurrentie. Er is immers in ons leven zoveel geluid en muziek; zoveel beelden die op ons afkomen. Probeer daar maar eens tussen te komen! Toch blijft God contact zoeken. Hij wil ons ontmoeten. Het kunnen kleine momenten van nabijheid zijn. Als we God bv. bedanken voor ons eten of voor vriendschap die we hebben ontmoet. Als we God bidden om hulp of een kaars opsteken voor een speciale intentie. Of als we op een stil moment de tuin inkijken en even nergens aan denken. Het zijn momenten die ons deugd doen, ogenblikken van genade. Daarnaast zijn er godsontmoetingen die door de Kerk officieel sacramenten worden genoemd. Daarin komt God heel dichtbij en raakt ons a.h.w. aan. We denken aan de Doop, het H. Vormsel of de Ziekenzalving. Het kunnen heel indringende momenten zijn. Vooral ook gebeurt dat, als wij ter Communie gaan en God zich innerlijk met ons verbindt. Maar misschien is het voor ons iets te vanzelfsprekend en gewoon geworden. Veel mensen ontmoeten liever goede vrienden of een of andere beroemdheid. ‘Wat levert zo’n ontmoeting met God nu eigenlijk op?’, vragen ze zich misschien af. “Wat wil God van ons dat Hij zoveel moeite doet om met ons in contact te komen?’    In Jezus maakt Hij duidelijk zijn, dat Hij onze dienaar wil zijn. God wil dat wij niet bang zijn, niet voor mensen, noch voor de toekomst en niet voor de dood. Wie God  werkelijk ontmoet, verliest zijn angst. Maar zijn bedoeling is ook dat wij eerbied krijgen voor het geheim van het leven. Dat wij niet kapot maken wat mooi is en zorgvuldig omgaan met wat kwetsbaar is. Medemensen niet beschadigen en kinderen beschermen. God wil ons ontmoeten om ons vrij te maken van dwang. Ik denk aan de dwang om van alles te willen hebben; het verlangen om gelijk te krijgen of anderen onrecht betaald te zetten. Die dwang kan ons nl. zo in de greep houden dat we niet alleen anderen maar ook onszelf beschadigen.  Als wij durven geloven dat dit God voor ogen staat en met deze overtuiging ter Communie gaan, dan kan er iets met ons gebeuren. Dan wordt deze ontmoeting met Jezus een sacrament.
Het zal duidelijk zijn dat godsontmoetingen zich niet laten afdwingen. Een echte ontmoeting komt van twee kanten. Als we God echt willen ontmoeten, is daar ruimte en rust voor nodig. Stil durven worden, tijd nemen, aan God  voorleggen wat er diep in ons omgaat en luisteren naar de stem van ons hart. Het kan zomaar gebeuren, bv. bij het werken in de tuin, als we een liedje zingen, als we genieten van de stilte of het even niets doen, dat God zijn kans grijpt en wij Hem echt ontmoeten.
Naar aanleiding van het Evangelieverhaal dat Jezus een grote menigte te eten geeft door het breken en delen van het voedsel dat is er, kunnen we stellen     dat in onze streken niet zozeer het delen van geld en voedsel voorop hoeft te staan, als wel het delen van aandacht en zorg voor elkaar, het omzien naar elkaar, vooral naar mensen in nood; naar hen die verloren lopen in hun zorgen, verdriet of eenzaamheid. Wat wij hier in de kerk doen met het delen van brood en wijn is ‘slechts’ een voorbeeldgebaar. Onder deze tekens mogen wij Jezus ontmoeten en ons met Hem verenigen, maar het eigenlijke werk begint pas buiten dit kerkgebouw. Hier wordt ons de opdracht om te breken en met elkaar te delen toevertrouwd. Moge Jezus onze zwakheid te hulp komen. AMEN.

Zondag 16 juni: Heilige Drieëenheid.

By | Preken

Lezingen: Spreuken 8, 22-31; Romeinen 5, 1-5; Johannes 16, 12-15

Dit weekeinde vieren we het niet zo gemakkelijk te behandelen geloofsgeheim van de H. Drie-eenheid of Drievuldigheid. Maar dat geloofsgeheim is ons wél gegeven en bepaalt onze geloofsbelijdenis. Daarom een poging van benadering. Ik begin met de eenheid en de veelheid die wij in ons eigen leven ervaren.

We zijn gewend om niet in isolement te leven. Er is een veelheid van mensen, natuur en dingen om ons heen waar we bij horen en bij thuis zijn. En zelfs de kluizenaar, die zich afzondert, weet dat hij –zij het op afstand- omringd wordt door het vele. Het tekent ons bestaan. We hebben een band met degenen die ons gegeven zijn, die ons omringen: de mensen, de natuur en de dingen. Het ene ‘ik’, dat ieder van ons is als individu,  beleeft, is niet geïsoleerd. Zo zit, bijvoorbeeld, ieder van ons hier in de kerk, samen met anderen, samen in dit mooie gebouw, luisterend, biddend, delend met anderen. Eenheid en veelheid ook in ons gelovig en kerkelijk leven. Dat is op een of andere manier ook aanwezig in God.

Lees je onze H. Schrift dan tref je voor God veel namen zoals de Aanwezige, de Eeuwige, de Almachtige en Barmhartige, de God van genade en vrede. Christenen zijn daarbij gaan zien hoe God zich ons voordoet: als Geest (denk aan de schepping en aan Pinksteren); als Zoon (denk aan de menswording van Jezus in Godsnaam met Kerstmis); als Vader, oorsprong van alle leven, ‘onze en uw Vader zoals Jezus ons leert. Vader, Zoon en Geest zijn in hun onderlinge betrekking, de ene God. Dat grote geheim, met zijn wortels in de verhalen uit onze H. Schrift,  gaat enerzijds ons verstand  te boven. Maar anderzijds begrijpen we ook dat het heilzaam voor ons is en in ons werkt. God is op ons betrokken, heeft zich aan ons medegedeeld en is met ons verbonden, Dat vieren we in heilige tekenen (sacramenten), in ons beluisteren van de H. Schrift, in  ons gebed. We mogen ons, hopelijk in toenemende mate, bewust zijn van onze rijkdom als gelovigen. Daar kunnen we nog even bij stilstaan.

In de 1e lezing is ‘wijsheid’ verbonden met God. Met Pinksteren verbonden vooral met Geest. We zongen: ‘Geest van wijsheid, Geest van raad, aller dingen zuivere maat’. Met Pinksteren herdachten we dat die Geest in ons, gelovigen, woont en dat we ons voor die Geest kunnen openstellen. De Paulusbrief aan de Romeinen meldde de betekenis van Jezus: ‘Wij zijn als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof; en we leven in vrede met God, door Jezus Christus’. En dat is de Zoon, Mensenzoon, zoals hij zichzelf graag noemt en beleden als Gods zoon. En de laatste zin van de tekst uit het Evangelie van Johannes luidde: Alles wat van de Vader is, is van mij, daarom heb ik gezegd, dat hij, de Geest, alles wat hij jullie bekend zal maken, van mij heeft. In die tekst hebben we Vader, Zoon Jezus en Geest bij elkaar. We tekenen ons derhalve niet voor niets met een kruisteken Ín de Naam van de Vader en de Zoon en de H. Geest. Daar  zit een geloof achter omtrent God en diens werkzaamheid in ons. Het is goed, dat dit bewustzijn op een dag van de H. Drie-eenheid wordt opgefrist en dankbaar zijn voor Gods werkzaamheid in hen die zich voor zijn werking openstellen.

Daar zijn een aantal gebruiken uit voortgevloeid: we maken menigmaal een kruisteken bv. bij het doen van een gebed. We dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest We zegenen met of zonder wijwater in de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest; zalvingen van dopelingen, zieken, vormelingen gebeuren in de vorm van een kruisteken; eveneens de zegening van het brood tijdens onze vieringen in de kerk; tijdens de inzegening van een huis lopen we met wijwater rond en zegenen de verschillende ruimten in de Naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest. Zo speelt ons leven als gelovigen zich af in verbondenheid met God. En die verbondenheid stimuleert ons het goede na te streven en het kwade achter ons te laten. AR

Zondag 9 juni 2019: Pinksteren.

By | Preken

Overweging Pastor Franssen 8 juni 2019:

2019  PINKSTEREN  DE PARAKLEET: DE PLAATSBEKLEDER EN ADVOCAAT

Het is alsof er met Pasen een steen in een vijver is geworpen. Vanuit één centraal punt zie je overal de steeds groter wordende kringen door het water gaan. Steeds maar uitdijend. Vanaf de dood en het nieuwe leven van Jezus is dit aan de hand. In het begin waren die vrienden van Jezus nog zeer weifelend en bang. Ze hadden de schrik van hun leven gekregen door wat er met Jezus  was gebeurd. Ze hadden angst zelf ook gevangen genomen en veroordeeld te worden net als hun Meester. Daarom waren ze bang voor hun mening uit te komen,  hun kop te stoten, bang om in het openbaar te vertellen wat voor wonderlijke dingen ze hadden meegemaakt. Dat iemand geleden heeft en dood is,  kun je constateren. Dat is een feit. Dat er nog een leven is voorbij  de grens van de dood, daar is meer voor nodig. Op zijn minst dat je nadenkt over wat deze mens voor jou betekend heeft; wat hij/zij heeft bijgedragen aan zijn omgeving. Kortom wat het hart, het binnenste, de geest van die mens is geweest.
Gelukkig had Jezus zijn vrienden al enige tijd voorbereid. Hij zou hen zijn Geest zenden. Nu worden er in de verhalen rond Pasen en Pinksteren allerlei tijdsaanduidingen genoemd: de derde dag, veertig dagen, vijftig dagen. Die verwijzingen naar de tijdsduur dienen we niet letterlijk, maar symbolisch te verstaan. Ze willen iets uitdrukken dat dieper gaat. Zo is vijftig het getal van de volheid: zeven maal zeven + één.  Niet alleen was met Pinksteren, het Joodse Wekenfeest, de eerste oogst op de velden rijp, maar in de leerlingen is wat Jezus gezaaid had met zijn sterven en verrijzen ook tot wasdom gekomen. Ze hebben tijd gehad om wat er allemaal gebeurd is helemaal tot zich door te laten dringen.  Met Pinksteren vieren wij dat Jezus de beloofde H. Geest gezonden heeft. Het betekent dat zij – en dus ook wij  – niet alleen gelaten worden; dat er Iemand bij ons is. Wat er ook gebeurt: we mogen steeds hoop houden. Pinksteren is de voltooiing van Pasen. We gedenken vandaag dat de kerk is gesticht als een beweging van al die enthousiastelingen die in het spoor van Jezus warmte brengen waar verkilling is, troost waar er geleden wordt. // Als Jezus het over de H. Geest heeft, dan gebruikt Hij vaak het woord  ‘helper’.  In de oorspronkelijke taal van het Evangelie wordt het woord  ‘ advocaat’ gebruikt. Een advocaat is iemand die mensen bijstaat, als er moeilijkheden zijn of iets opgelost moet worden. Met Pinksteren vieren wij dat God zelf door zijn H. Geest bij ons komt om ons bij te staan. Gebeurt dat alleen maar als we het moeilijk hebben? Nee, ook als we fijne dingen te vieren hebben. Ook als we nadenken over de richting die we uitmoeten met ons leven en ons gevraagd wordt keuzes te maken. Altijd en overal wil God onder ons mensen zijn, en dat doet Hij door de werking van zijn Geest.
In de 1e lezing wordt verteld hoe die verschillende mensen in Jerusalem het bevrijdende woord van de leerlingen van Jezus hoorden in hun eigen taal. We denken dan onmiddellijk aan al die talen die er over de hele wereld gesproken worden. We mogen ook denken aan het feit dat alle mensen anders zijn en dat allen – hoe verschillend ook – ieder zijn eigen plaats, ieder zijn eigen inbreng heeft. We hoeven niet allemaal diaken of pastoor te zijn. We hoeven alleen maar mens te zijn,  bezield van de goede Geest van onze God.  Als je dan bezield bent door de goede Geest van God, wat doe je dan? In de omgang met medemensen zet je je in elkaar te respecteren, zodat die op hun beurt anderen bemoedigen en bevestigen. Je probeert mensen met elkaar te verbinden en niet uiteen te drijven. Je bent mild en fijngevoelig. Je weet te luisteren als mensen iets wat hen ter harte gaat met jou willen delen. Je toont interesse in het verhaal van mensen en je informeert hoe dat ontstaan is. Dat is de reden dat wij steeds opnieuw lezen uit de Bijbel, een  boek vol ervaringsverhalen en geloofsverhalen van het volk van God. Kortom: je draagt de beweging van Jezus een warm hart toe. Het gaat er steeds om dat wij over de grenzen van onze eigen persoon of eigen wereldje meebouwen aan het goede in de wereld. Dat wij Licht brengen over de eigen grenzen heen. // Was Jezus tot en met Goede Vrijdag zichtbaar, tastbaar en in levende lijve onder mensen aanwezig, nu is Hij er geestelijk, maar niet minder werkelijk. Je  kunt zeggen: de Parakleet is Jezus op een ‘andere’ manier, nieuw, herrezen. Hij is de machtige Bij-staander, onze bondgenoot en advocaat. Hij is de plaatsbekleder van Jezus. Hij herinnert de leerlingen niet alleen aan alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft. Hij zal in de toekomst ook onthullen wat de kern is van alles wat er is gebeurd. Ook na zijn verrijzenis is Jezus er. Hij helpt, troost en inspireert ons. De H. Geest, de Parakleet, is wel onderscheiden van Jezus, maar tevens niets anders dan zijn voortgaande aanwezigheid. Hij is de verschijningsvorm van de verheerlijkte en opgestane Jezus. De H. Geest is vanaf Paasmorgen Jezus in zijn nieuwe gedaante als helper en ruggensteun. Op dit Pinksterfeest zegt God tot ons: jullie zijn niet alleen, jullie worden niet aan je lot overgelaten. Ik ben met je met mijn heilige Geest. AMEN

Overweging meneer pastoor Reijnen 9 juni: 

PINKSTEREN 2019. (Week Nederlandse missionarissen)

Lezingen: Handelingen 2, 1-11; Romeinen 8, 8-17; Johannes 14, 15-16.23-26

Het is in Nederland en Europa een tijd van gedenken. Op 6 juni landden de geallieerde troepen in Normandië en brak de tijd van de bevrijding van West Europa aan. Maar wat heeft dat niet gekost aan mensenlevens en door verwoestingen. Tentoonstellingen, documentaires, bijeenkomsten met herdenkingstoespraken, videobeelden en sketches herinneren aan wat toen allemaal is gebeurd, geleden en welke opofferingen mensen zich hebben moeten getroosten omwille van onze vrijheid. Het leidt tot bezinning en mag nooit worden vergeten, zo luidt de overtuiging. Sinds de 2e wereldoorlog leven we aan deze kant van de wereld in vrede en vrijheid. West Europa heeft zich door de aanwezigheid van vrede en veiligheid kunnen ontplooien. Onze welvaart is gegroeid, zijn onze keuzemogelijkheden zijn groter geworden. Maar, hoe breed hebben vrede en vrijheid gewerkt? Heeft ons innerlijk, onze ziel ook van de vrede en vrijheid geprofiteerd? Zijn we begripvoller geworden t.a.v. onszelf en onze mogelijkheden én beperkingen? Zijn we hulpvaardiger geworden, barmhartiger, vergevingsgezinder, toleranter, liefdevoller?  Zijn dat eigenlijk niet de waarden of deugden die de altijd  kwetsbare vrede en vrijheid dragen? Staan ze momenteel niet onder druk?  Onze samenleving is immers prestatiegericht en stelt hoge eisen waaraan we tegenwoordig moeten voldoen om ‘mee te kunnen’ op het gebied van positie in de samenleving,  werk, relaties, vrije tijd en vakantie? . Zijn in de levens van veel mensen hun dagen niet zodanig  gevuld dat stress optreedt door wat we allemaal ‘moeten’. Worden we niet overheerst door de tijdgeest, die ons voorschrijft hoe we moeten zijn? Houden we dat vol? Dreigt er niet een geen leegte omdat we niet meer toekomen aan wie we ten diepste zijn als mens?

 

Er zijn mensen, die naar de kerk komen voor een moment van bezinning en rust te midden van al dat moeten. Hier hoeft niets, hier kan men luisteren naar de teksten en de gezangen, maar ook de eigen gedachten laten gaan. Gebeden kunnen onder woorden brengen wat in ons omgaat, ook de behoefte aan geborgenheid in Hem, God, die groter is dan wij zelf zijn.

Aanwijzingen (geboden) uit de H. Schrift kunnen ons inspireren, maar ook bevrijden en gerust stellen, onze innerlijke vrede en vrijheid bevorderen. Bijvoorbeeld, zulke een tekst als die van het Evangelie van vandaag: ‘Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn  woord onderhouden; mijn Vader (ook onze Vader) zal hem liefhebben en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen’. Wat hebben we meer nodig dan liefde te ontvangen en liefde te kunnen geven? Kan de bemoedigende waarde van zulk een mededeling dat God in ons woont tot ons doordringen bij alles wat wij van minuut tot minuut ‘te doen’ hebben?

Hebben we –vandaag is het Pinksteren- de heilige Geest  niet hard nodig; de Geest die ons alles in herinnering zal brengen wat Jezus ons aan vrijheid en  vrede heeft gebracht?

We kunnen voor zijn werking open staan zoals de apostelen samen met Maria bijeen in  Jeruzalem. Pinksteren werd een gebeurtenis, een doorbraak van de heilige Geest in de levens van de leerlingen. Ze raakten er vol van en traden naar buiten. Ze  begonnen hun zending om de Goede Tijding (Evangelie) van Jezus door te geven aan alle volken, ieder in hun eigen taal. De Galatenbrief van de H, Paulus geeft de vruchten van de Geest aan: ’liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing’ . En hij voegt eraan toe, ‘ér is geen wet (zeg maar er is niemand) die daar iets tegen heeft’. Of we willen of niet, we worden beïnvloed door ‘de geest van deze tijd’. We hopen dat die in staat is vrede en vrijheid ook na 75 jaar te dienen. Maar mogen we dan toch ten behoeve van die vrijheid, vruchten voorbrengen die voortkomen uit Gods Geest in ons. Amen. AR

zondag 2 juni 2019: 7e zondag van Pasen.

By | Preken

Een woordje vooraf:
De tekst uit het Johannes-evangelie is niet eenvoudig. Johannes schrijft zijn evangelie tegen het einde van de 1e eeuw en wijkt in stijl daarbij af van de andere drie evangelisten. Hij heeft diep nagedacht over de persoon van Jezus Christus en over diens verhouding tot zijn hemelse Vader; en over hoe die twee zich verhouden tot degenen de in Hem geloven. Johannes probeert ons duidelijk te maken, dat God de voorwaarden van ons bestaan niet opheft, maar dat in Jezus ons wordt geleerd hoe met ons leven en al wat dat inhoudt om te gaan. Dat leidt tot zijn en onze verheerlijking. God is dus anders dan een poppenspeler die naar willekeur aan de touwtjes trekt van de marionetten die wij zijn. Menigeen, die zegt niet in God te kunnen geloven zou gevraagd kunnen worden welk idee van God hij/zij eropna houdt. De gedachten van Johannes zijn van belang voor ons als gelovigen en voor ons denken over God en Jezus Christus. Ze geven ons ruimte en vertrouwen

Lezingen: Handelingen 7, 55-60; Openbaring  22, 12-14.16-17.20; Johannes 17, 20-26

Er is, beste mensen, nauwelijks een sterkere band denkbaar dan die tussen ouders en kinderen. Die zijn namelijk de vrucht van hun samengaan. De verbondenheid ie daaruit ontstaat kan ook nooit ongedaan gemaakt worden en is derhalve levenslang. Normaal gesproken betekent dat ook betrokkenheid, liefde, verantwoordelijkheid en zorg. Als we dat voor ogen houden kunnen we het gebed van Jezus verstaan tijdens aan de vooravond van zijn lijden. Hij bidt dat zijn verbondenheid met zijn hemelse Vader doorgetrokken wordt naar allen die in Hem geloven. Hij benadrukt dan ook dat God ook onze hemelse Vader is en legt dat neer in een gebed, dat Hij ons leert in het ‘Onze Vader, die n de hemel zijt’ enz, een gebed dat we tijdens onze vieringen altijd bidden.

Het betekent, dat God op de eerste plaats tegenwoordig is in ménsen en niet in een gebóuw. Gebouwen waarin we samenkomen dienen om ons bewust te doen zijn  van onze verbondenheid met God en met elkaar. En de basis van Gods tegenwoordigheid in ons is de liefde, die Hij ons toedraagt. Dát is Jezus ons komen leren: God heeft ons lief. Hoe heeft Go ons lief? In Jezus, Mensenzoon en Gods Zoon is dat zichtbaar geworden. Hij heeft ons levenslot met ons gedeeld met alles wat dat inhoudt:  vreugde, moeite, kwetsbaarheid, pijn, tijdelijkheid en dood. Jezus heeft ons door zijn manier van leven geleerd om met ons lot om te gaan. Hij accepteerde zijn lot, voelde zich aan het kruis van God verlaten, maar gaf zijn geest wel over in Gods handen.  God is derhalve in het gebed van Jezus niet de sturende kracht van bovenaf, die ervoor zorgt dat we gespaard blijven voor de pijn die het leven ook met zich mee kan brengen. Dat is anders in de regionale krant op zaterdag. Menige sporter, gevraagd  naar zijn of haar geloof in God lijkt van opvatting, dat God van bovenaf alles wat een mens pijn doet zou moeten verhinderen.  Maar zo is het niet. Jezus heeft ons geleerd om te gaan met het leven, zijn bestemming aanvaardend en doorlevend, zoals wij allen daartoe geroepen zijn; ieder van ons zijn of haar eigen leven.  Als we naar het voorbeeld van Jezus ons leven doorleven, woont God in ons.

Als diaken Stefanus, kort na Jezus dood de nadruk erop legt, dat God op de eerste plaats in mensen woont en niet in een stenen gebouw, wekt dat grote weerstand bij pelgrims naar de tempel Jeruzalem., de heilige tempel waarin ze Gods aanwezigheid lijken vast te pinnen  Ze nemen Stefanus gevangen en beschuldigen hem ervan dat hij tegen de tempel zou zijn. Maar dat is niet zo. Er is niks mis met het eer brengen aan God in een tempel of kerk, maar God en Jezus wonen op de eerste plaats in mensen, die in hen geloven en daarnaar handelen. Niet bestand tegen het verweer van Stefanus stenigen zijn tegenstanders hem. Hoe hij daarmee omgaat maken he m tot een mens van God. Hij ‘ziet de hemel open en de Mensenzoon aan Gods rechterhand’. Dat is zijn perspectief. Vervolgens, zijn eerste woorden zijn woorden van overgave: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest’. Ook Jezus heeft op het kruis zo gebeden: ‘ Vader, in uw handen beveel ik mijn Geest’. Verder is Stefanus niet de man die Gods wraak over zijn tegenstanders afroept , maar hij bidt om vergeving: ‘Heer reken hen deze zonde niet aan’.  Ook Jezus bad zo ving bij zijn kruisiging: ‘Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen’.  Bidden wij ook niet om vergeving in het Onze Vader?

Wat kunnen we van deze verhalen leren?  God en Jezus leven –overeenkomstig hun liefde  in ons. Wij geloven en doen ons best dienovereenkomstig te handelen  Dat Jezus leeft aan Gods rechterhand  na zijn kruisdood, opstanding en hemelvaart kan ons moed geven. Het is ons perspectief. We zijn sinds ons doopsel met Hem, met elkaar en met God verbonden.  Levend in en met hetgeen ons overkomt ligt onze bestemming in Gods hemel. Het moge ons moed en vertrouwen geven bij alles wat ons overkomt. AR