28-11-2021: 1e Zondag van de Advent C jaar 2021

By Preken

Lezingen: Jeremia 33, 14-16; 1 Tessalonicenzen 3, 12-4,2; Lucas 21, 25-28.34-36.

We leven momenteel in moeilijke tijden. Het is pas een paar jaar geleden, dat we aan onze kant van de wereld vol optimisme dachten het leven zelf in handen te hebben: onze welvaart door economisch groei;  ons welzijn in vrijheid te genieten via de talrijke mogelijkheden die zich voordeden. We konden rekenen op zorg als ziekte ons overkwam. Er waren nog wel armen onder ons, maar ook voor hen waren er al voorzieningen zoals uitkeringen. Pijn werd zoveel mogelijk vermeden of uitgebannen.  Wanneer we ons leven voltooid achtten konden we ook zelf bepalen. En we lijken nog veel zelf te kunnen. De Amerikaanse ruimtevaart stuurt een raket de ruimte in die het volgend jaar door ertegenaan te botsen een klein beetje van koers moet doen veranderen. Maar we hebben niet de indruk dat we daar her en nu veel mee opschieten. Onze goede voorzieningen staan onder druk.

Gisteren werden nieuwe maatregelen van kracht die de toename met het aantal besmettingen door het coronavirus moet afremmen. Minister de Jong wees erop, dat de maatregelen iedereen pijn zullen doen. We zijn minder zeker geworden. We blijken niet ‘de machtige mens’ te zijn, die we dachten te zijn. We zijn kwetsbaar, onderworpen aan een pandemie, die ons in de greep houdt, terwijl we dachten met maatregelen en vaccinatie er spoedig een einde aan te kunnen maken. Het moeten aanvaarden van de toestand waarin we verkeren kost ons moeite, bedreigt ook het bestaan van exploitanten in verschillende sectoren, die zich vaak jarenlang moeite hebben gegeven hun zaak uit te bouwen.

De lezing van vandaag uit het Evangelie van Lucas waarschuwt al voor schrikwekkende gebeurtenissen. Lucas heeft er opgetekend in de omstandigheden van toen, Judea in opstand tegen de bezettende Romeinse macht, geweld, verzet gebroken, Jeruzalem en de tempel ingenomen en verwoest met alle ellende van dien. De zon, de maan en de sterren leken anders te schijnen dan toen alles nog goed ging.

Dachten de eerste christenen na Jezus’ heengaan aanvankelijk nog dat Hij spoedig terug zou komen om zijn Rijk van gerechtigheid en vrede voorgoed te vestigen, Lucas mikt op de lange duur. Gezien zijn ervaring op het moment dat hij zijn Evangelie schrijft, ongeveer het jaar 80 na Christus, kan het nog wel eens een tijd duren voordat de Heer definitief komt. Jezus spoort zijn ons, zijn mensen, aan om in de tussentijd waakzaam te blijven, ervoor te zorgen, dat onze ‘geest niet afgestompt raakt’. De moed niet op te geven, te blijven hopen en verwachten, zoals Hij he noemt ‘de blik omhoog te richten’. Het zijn aansporingen die we kunnen gebruiken nu we in de lange duur van de coronapandemie onze kwetsbaarheid en wellicht ook een zekere machteloosheid en moedeloosheid ervaren.

We moeten dus er rekening mee houden, dat de definitieve komst van de Heer nog aanhoudt. Het woord ‘Advent’ (Komst) heeft dan ook nog een andere laag, die van de 1e lezing uit de profeet Jeremia. God doet daarin een belofte aan zijn volk. Hij zal  een afstammeling uit het huis van David schenken, die rechtvaardig en eerlijk bestuurt. De herinnering aan die belofte wordt ons vandaag aangereikt nu wij over enkele weken de komst van Jezus Christus onder ons gedenken met Kerstmis. In Hem wordt Gods belofte werkelijkheid. Hoe meer wij Hem laten komen door ons goede en liefdevolle doen en laten, des te meer komt het Koninkrijk van God nu al in onze wereld. We hoeven niet te wachten op de definitieve komst ervan, maar kunnen door attent te leven onze wereld er nu al op voorbereiden. Amen.

AR

Zondag 21-11-2021: Boodschap bij het einde van het kerkelijk jaar op het hoogfeest van Christus Koning.

By Preken

Ter voorlezing/publicatie op het hoogfeest van Christus Koning 20/21 november 2021

Broeders en zusters in Christus,

Steeds meer raken we in ons Limburgse land gewend aan priesters van buitenlandse komaf. Soms hebben ze ook namen waaraan we even moeten wennen. Zo is er op dit moment in Roermond een diaken-assistent uit Sri Lanka op weg naar het priesterschap en zijn naam is Christyraj [spreek uit Kristi-Ratsj]: een naam met een betekenis. Letterlijk vertaald betekent zijn naam: Christus Koning.

Christus Koning is het feest dat we vandaag vieren. Wie denkt dat deze feestdag betekent dat het voor mensen die in Christus geloven altijd rozengeur en maneschijn is en dat het opsteken van een noveenkaars alle kleine problemen van een gelovig mens wegneemt en grote moeilijkheden voorkomt, omdat het Christus Koning gunstig stemt, kan voor grote teleurstellingen komen te staan.

Kapelaan Christyraj heeft in 2004 in Sri Lanka de grote tsunami meegemaakt. In ons westers denken zouden wij al gauw redeneren: “Zie je nou wel dat God niet bestaat, anders zou Hij zoiets niet laten gebeuren.” Maar kapelaan Christyraj gaat daar heel anders mee om. Hij wist waarover hij het had, toen hij enkele weken geleden in een woordje tijdens de doordeweekse mis bijna onopvallend zei dat het koningschap van Christus ons leven ten goede kan veranderen, maar ons ook zwaar kan vallen.

Veel mensen in onze omgeving die iets ingrijpends ervaren, zijn geneigd om het geloof in Christus terzijde te schuiven. Kruisbeelden verhuizen van de huiskamer naar de kringloop en ze geven hun kind zeker geen naam als Christyraj. Geen Christus Koning meer, maar van nu af zelf koning. Dat is sowieso de manier waarop velen in onze tijd naar hun eigen leven kijken: “Ik beslis zelf over alles, tot en met het einde van mijn leven toe.” U kent vast voorbeelden uit uw eigen omgeving, misschien wel in uw eigen familie.

Toch zegt Jezus in het evangelie van vandaag tegen Pilatus: “Ja, koning ben Ik. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.” En Hij voegt eraan toe: “Hiertoe werd Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”

Jezus spreekt in het evangelie vaak over de komst van het rijk van God.
Waarom is het belangrijk om vandaag een scène uit het passieverhaal van Jezus te lezen? Helpt het ons om te begrijpen wat het koningschap van Jezus, van het rijk van God, werkelijk inhoudt? Pilatus herkent het koningschap van Jezus niet. En vaak genoeg hebben ook Jezus’ leerlingen zichzelf de belangrijkste plaatsen naast Hem, in een louter aards soort koninkrijk, toegeëigend.

Toen Jezus door de Farizeeën de vraag werd gesteld wanneer het rijk Gods zou komen, gaf Hij hun als antwoord: “De komst van het rijk Gods kun je niet waarnemen. Je kunt niet zeggen: Kijk, hier is het of daar is het. Want het rijk Gods is midden onder u.”

Hoe herkennen we dan dat Christus koning is in ons eigen leven? Jezus geeft zelf aan dat zijn koningschap niet aards is. Het ‘koninkrijk van God’ is van elders; het vestigt zich in mijn eigen leven. Het is ‘innerlijk’ aanwezig. Het Koninkrijk Gods is binnen handbereik. Alleen God kan mij inspireren om er een stap dichter bij te komen, er binnen te gaan en het zo tot een realiteit in mijn leven te maken. Zo zal het Rijk Gods meer en meer werkelijkheid kunnen worden. Hoe onze persoonlijke situatie ook is.

Het koninkrijk van Christus is niet van deze wereld, maar wel ervaarbaar in deze wereld. Elke keer als iemand uit liefde handelt, is daar Gods rijk. Waar waarheid, schoonheid, eenheid en gerechtigheid worden gezaaid – hoe klein ook – daar groeit Christus’ rijk. Waar we vriendelijkheid, zachtmoedigheid, mededogen, edelmoedigheid geven of ontvangen, ervaren we Christus’ koninkrijk.

Zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Dat antwoord krijgt Pilatus van Jezus en dat antwoord krijgen wij als zijn leerlingen ook. Jezus’ koninkrijk komt als een innerlijk rijk dat zich wil vestigen in ons leven. Jezus antwoordt dat het al aanwezig is, maar niet van deze wereld is, en vaak nog onzichtbaar: “Het koninkrijk van God is onder u”. Of met andere woorden: “Het is in u.”

Het is aan ons om Zijn koninkrijk in ons toe te laten en het te laten groeien; om Hem in ons leven Christyraj – Christus Koning – te laten zijn, omdat deze koning op een andere manier naar ons omziet dan vele aardse koningen.

In deze geest mogen wij de Advent gaan beleven als tijd van verwachting van Christus, de koning die komt.

 

Roermond, laatste zondag van het kerkelijke jaar 2021

+ Harrie Smeets, bisschop van Roermond

Zondag 14-11-2021: 33ste zondag door het jaar B 2021.

By Preken

Lezingen: Daniël 12, 1-3; Hebreeën 10, 11-14.18; Marcus 13, 24-32.

Als vanzelfsprekend bewonen we onze wereld. Wij, met name het tot welvaart gekomen deel ervan, zijn naar eigen goeddunken met onze wereld omgegaan. We zijn er welvarend door geworden. Toch ontdekken we ook hoe langer hoe meer, dat er grenzen zijn aan onze manier van omgaan met de aarde. Het lijkt erop, dat de aarde ons laat merken, dat we haar in de steek gelaten hebben. We leren zien dat we onderdeel uitmaken van de aarde die ons in beheer, niet ter uitbuiting, is gegeven, maar waarmee eerbiedig rekening moeten houden. De aarde is onze leefomgeving. Als wij onze aarde verwaarlozen is er bedreiging van ons bestaan. Denk aan de opwarming met alle gevolgen van dien, veroorzaakt  door ons gedrag (klimaattop in Glasgow). Denken we aan de coronapandemie waar we telkens in golven de dreiging van ondervinden. We willen graag vanzelfsprekend comfortabel leven zonder veel problemen, maar staan voor de opgave onze manier van leven in overeenstemming te brengen de verantwoording die we hebben t.a.v. onze aarde en t.a.v. elkaar. Zijn we zelf daartoe in staat? Kunnen we zelf een iedereen en alles omvattende wereld van respect, gerechtigheid, goedheid en liefde tot stand te brengen? Wat dat betreft worden we hoe langer hoe meer gewaar dat we leven in een gebroken wereld, met mensen in hun tegenstrijdige opvattingen en belangen, die permanent met elkaar in confrontatie en gevecht leven. Onze H. Schrift, onze bijbel,  vertelt ons van visioenen  van mensen, die ons voorhouden dat we uiteindelijk  aangewezen zijn op Gods reddend kracht. Door daarin te geloven en ons daarnaar te gedragen zorgen we ervoor, dat Gods kracht laten werken in onze wereld.
Ieder jaar In de herfst, als de zon ’s morgens laat opkomt en de avond vroeg valt worden we in de eredienst geconfronteerd met visioenen van de eindtijd van de wereld. Die verhalen vallen momenteel samen met de 4e coronagolf, die ons in doorsnee welvarende leven opnieuw  aantast mede door het toedoen van mensen zelf. Dat valt zwaar, vooral degenen, die hun nering, hun bron van verdiensten, hun financiële bestaansgrond en daarmee ook hun mentale gezondheid bedreigd zien. Klaarblijkelijk moet iedere generatie door levensbedreigende situaties als oorlog, geweld, armoede, vluchtelingen heen. Er is altijd wat. Over de pandemie hebben we het gehad.  Men is die meer dan zat, maar we zijn er nog niet klaar mee. De vluchtelingensituatie aan de grens tussen Wit-Rusland,  Polen en de Baltische staten zorgen voor dreiging.

De verhalen vandaag uit de bijbel hebben hun eigen achtergrond van onderdrukking en vervolging. Men verlangde naar betere tijden en zag die in het doorbreken van Gods heerschappij; een heerschappij van begaan zijn, goedheid en liefde, van gerechtigheid waarin iedere mens tot zijn/haar recht komt. Zo heeft in het Evangelie niet het kwaad met al zijn verschrikkingen door de eeuwen heen het laatste woord, maar de Mensenzoon, vertegenwoordiger van Gods trouw aan ons, zijn mensen. Hij ‘verschijnt in macht en heerlijkheid’. Door de lezingen heen klinkt de geloofsovertuiging, dat de godsgetrouwen, die hebben volgehouden, uiteindelijk goed terecht komen. In de eerste lezing is er sprake van dat zij zullen ‘stralen’ en ‘schitteren’ en dat de uitverkorenen die naar Gods wil hebben geleefd zullen verzameld worden. Wat valt te doen voor ons aan wie deze verhalen worden doorgegeven? We worden aangespoord attent en behoedzaam te zijn. Het leven niet klakkeloos ons te laten overkomen, maar waakzaam te zijn; in wat in onze tijd gebeurt te onderscheiden wat goed en kwaad is en te kiezen voor goedheid, gerechtigheid voor iedereen, liefde; kortom te kiezen voor wat past bij het Rijk van God. Zodanig, dat als het definitief doorbreekt, wij er klaar voor zijn.
A.Reijnen

Zondag 7 november 2021 (B-jaar): Feest van de H. Willibrord.

By Preken

De H. Willibrord, in Engeland geboren, midden 7e eeuw, is al  op jonge leeftijd Benedictijner monnik geworden. Om die reden verhuisde hij naar Ierland. In 690 kwam hij met elf medebroeders naar ons land. Aan de monding van de Rijn in de buurt van Katwijk hebben ze voet aan wal gezet. Ruim 1300 jaar geleden heeft hij in deze streken het Evangelie verkondigd. Bijna 50 jaar was Willibrord in deze contreien werkzaam. Paus Sergius heeft hem in 695 aangesteld als eerste bisschop van Utrecht. In 739 is hij in Luxemburg in de abdij van Echternach gestorven en begraven. Zijn feestdag vormt aanleiding voor de vraag: hoe is het gesteld met het geloof dat Willibrord, Servaas e.a.  in onze streken hebben geplant? Er is hier in West Europa veel veranderd. Het lijkt erop dat het christelijk geloof, dat zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in het leven van onze (voor)ouders, in de marge terecht is gekomen. We  leven in een wereld waar er zoveel kennis en mogelijkheden voorhanden zijn dat het soms lijkt alsof ons leven maakbaar is en we God niet meer nodig hebben. In gesprekken als voorbereiding op Doop, E.H.Communie, Vormsel en Huwelijk blijkt dat bij veel geloofsgenoten elementaire kennis over ons geloof ontbreekt en velen niet bidden. Voor een levend contact met mensen geldt: als je niet regelmatig tijd neemt om naar elkaar te luisteren en met elkaar te praten over wat je bezig houdt, dan vervreemd je van elkaar. Dan groei je uit elkaar en stelt de relatie op den duur niets meer voor. Zou dat ook niet gelden voor onze relatie met God? Missionarissen als Willibrord en zijn gezellen hebben hier een persoonlijke God verkondigd, een God die een relatie zoekt met mensen, niet een anonieme en onpersoonlijke macht. Als wij helemaal in beslag genomen worden door onze eigen besognes en geen tijd meer nemen voor stilte en bezinning, voor gebed en geestelijke lectuur, waar is dan de ruimte om God te horen, als Hij spreekt tot ons hart? Als wij alle touwtjes zelf in handen willen houden, hoe krijgt God dan de kans ons mee te nemen in zijn plannen? Velen zien geloven als een privé aangelegenheid waar je anderen niet mee moet lastig vallen. Wij zijn het erover eens dat je niemand iets moet opdringen, maar betekent dat ook dat we elkaar niet mogen vertellen wat ons geloof voor ons betekent? Wij praten met onze dierbaren over alles en nog wat, waarom zouden wij dan niet met elkaar mogen delen uit welke bronnen wij leven? Als we iets meemaken dat ons raakt, dan willen we dat graag met anderen delen, waarom zou dat dan niet mogen gelden voor ons geloof? U zegt misschien: ‘ Ik worstel vaak met mijn geloof en heb veel vragen en twijfels’.  Dat is zeer wel mogelijk, maar waarom willen wij die worsteling dan voor elkaar verbergen, alsof ze er niet mag zijn? Door ze te delen met mensen die je lief zijn, kom je met elkaar in gesprek en kunnen anderen vertellen hoe het hun vergaat als zoekende gelovigen. Als leerlingen van Jezus hebben we elkaar nodig om zijn boodschap te verstaan en om uit te wisselen wat ze betekent voor ons leven. Kinderen opvoeden tot gelovige mensen is een moeilijke opgave. Jonge mensen willen uitgedaagd worden. Ze hebben er behoefte aan dat hun ouders hen stimuleren, bevestigen en vertrouwen schenken en dat ze hen eisen en grenzen durven stellen. Ook al verschillen ze vaak met hun ouders van mening, ze willen wel degelijk weten waar hun ouders voor staan en wat hun geloof voor hen betekent. Daarom is het niet goed te zwijgen over dit thema, bang voor meningsverschillen, een wederwoord of kritiek. Het getuigt van respect en wederzijds vertrouwen, als we durven vertellen over wat ons inspireert en sterkt, en ook over wat moeilijk voor ons is. Openheid en eerlijkheid in de omgang met elkaar maken de liefde zichtbaar waartoe Jezus ons uitnodigt.  Als Jezus zijn leerlingen opdraagt alle volken tot zijn leerlingen te maken, dan vraagt Hij niet aan iedere deur aan te bellen met zijn Boodschap, maar wel dat we niet bang zijn uit te komen voor ons geloof als dat van ons wordt gevraagd.
Het  Bijbelfragment dat vandaag is gelezen vormt het slot van het Evangelie volgens Marcus. De Heer belooft zijn leerlingen te helpen bij hun verkondiging door de tekens die ermee gepaard gaan. Ze zullen demonen uitdrijven, onbekende talen spreken, slangen opnemen en vergif drinken zonder er aan dood te gaan’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?  Als de jonge Kerk vertelt over de hemelvaart van de Gekruisigde en Opgestane Jezus, creëert ze het beeld van een antiheld. Het is een protest tegen elke vorm van vergoddelijking van mensen, zoals dat gebeurde in het heidendom. In zijn  parabels maakt Jezus duidelijk dat onze  grootheid en waarde als mens erin bestaat dat God ons heeft geschapen. Wij hoeven de hemel niet te bestormen om  die waardigheid te verwerven. Wij verliezen juist alles wat wij zijn,  als we onszelf uit angst tot steeds grotere prestaties laten opdrijven. In Jezus leefde het weldadige vertrouwen dat wij hier op aarde thuis mogen zijn. Hij nodigt ons uit vrij gebruik te maken van de dingen van deze aarde, maar ons niet tot slaaf of gevangene ervan te laten maken. Er zijn verschillende tekens waaraan je kunt herkennen dat iemand tot geloof is gekomen. Hij zal in Jezus’ Naam verkeerde geesten ontmaskeren en uitdrijven. Door je geloof in Jezus ben je in staat tot een andere manier van spreken. Door je vertrouwen in Hem ben je in staat om te horen wat een ander werkelijk zegt en wil overbrengen, zodat je op een goede manier kunt reageren. Mensen die leven in Jezus’ Geest kunnen slangen oppakken. D.w.z.  er is veel dat we het liefst onder het woestijnzand laten rusten in de hoop dat het zich niet zal roeren. Wij zijn immers meesters in het verdringen van onaangename dingen, maar ooit moeten wij onze ‘slangen’ en hete hangijzers oppakken en aan het licht laten komen. Vertrouwend op Jezus durven wij dat aan. Dat geldt ook voor de belofte dat we als christenen a.h.w.  gif kunnen drinken zonder eraan dood te gaan. Uit pure angst hebben we vaak grote hoeveelheden ‘gif’ in onze ziel opgeslagen. Denk aan laster, aan oordelen die er over ons zijn uitgesproken, onterechte verwijten enz. De belofte van Jezus is dat een mens die oprecht gelooft niet dodelijk getroffen hoeft te worden door al die ‘giftigheden’. De belangrijkste ‘toe-gift’ die Jezus zijn volgelingen nalaat is het vermogen ‘zieken de handen op te leggen’, zodat ze genezen. Het is de mooiste gave van het geloof, als je door een houding van onvoorwaardelijk vertrouwen mensen een beschermplek van geborgenheid kunt bieden, het gevoel kunt geven dat zij in hun bestaan aanvaard zijn. Je handen over hen uitspreiden betekent hen zonder voorbehoud accepteren.
De boodschap die Jezus ons nalaat luidt: Er zou nooit anders over God moeten worden gesproken dan dat het mensen intenser, vrijer van angst en gelukkiger laat leven. Deze heilzame verbondenheid van God en mens is wat Jezus geleefd en geleerd heeft. Ons – zijn volgelingen – nodigt Hij uit daarop te vertrouwen. Laten wij bidden om dat vertrouwen.
AMEN.

zondag 31-10-2021: Allerheiligen B 2021

By Preken

Lezingen: Apocalyps 7, 2-9.9-14; 1 Johannes 3, 1-3; Matteüs 5, 1-12a.

Het Boek van de Openbaring (1e Lezing) is voor velen een vreemd boek, dat om het een beetje te begrijpen de nodige uitleg vraagt. De verbinding met onze wereld wil ik proberen aan te geven. Waar wij ons bezig houden met de werkelijkheid van alledag, die heel onze aandacht vraagt, stelt de auteur van het boek de vraag: ‘hoe loopt het met ons af?’ Daar zijn wíj niet zo mee bezig, ofschoon de vraag ons ook weer niet helemaal vreemd is. Sinds mensenheugenis leven wij immers met de ervaring, dat er een einde komt aan ons leven en dat onze wereld voorbij gaat, mogelijk zelfs door menselijk toedoen (denk aan onze moderne wapens). Búiten ons toedoen overkomen ons aardbeving, tsunami’s, pandemieën. Daar zijn we geen baas over. Met de klimaattop in Glasgow voor ogen kunnen we langzamerhand vrezen, dat ook de klimaatbeheersing een probleem wordt dat ons te boven gaat. Hoever reikt de bereidheid wereldwijd samen te werken om de verwarming van de aarde te beheersen? In oude tijden had men voor alle verschijnselen die ons te boven gingen en ons bestaan bedreigen een god of een engel met elk een eigen terrein. Grieken en Romeinen hadden een heel systeem van goden, god van de oorlog, een god van de vruchtbaarheid enz.  Vandaag in de eerste lezing uit het Boek van de Openbaring zijn er engelen, die ‘schade kunnen toebrengen aan de aarde en aan de zee’, m.a.w. aan onze leefwereld voorzover we daar géén baas over zijn. (Denk aan de zojuist genoemde aardbeving, tsunami, pandemie). Maar voordat er tenslotte een einde aan onze wereld komt worden de mensenkinderen, die zich gedragen als kinderen van God, getekend met een beschermend merkteken, een soort q-code, Die je toegang geeft tot de hemel. Er zijn,  volgens de 1 lezing, ontelbaar velen, voorzien van dat teken die ontkomen aan de ondergang en leven voor Gods aangezicht.

Als we ons dan afvragen wie degenen zijn, die dat merkteken dragen en ontkomen aan ondergang en dood, komen we uit bij degenen, die door Jezus in zijn Bergrede worden genoemd. Het zijn mensen die zonder pretentie door het leven gaan en doen wat ze doen moeten, ‘arm zijn van geest’, zoals de lezing zegt. En verder degenen die zachtmoedig zijn, tegen wie de ME niet hoeft op te treden (zoals vrijdagavond bij de wedstrijd MVV-Roda JC ; veilig zijn ook mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid-voor-iedereen (denk aan de toeslagenaffaire); mensen die barmhartig zijn in hun oordelen over anderen; mensen zuiver van hart, eerlijk in hun bedoelingen en brengers van vrede en verzoening; mensen die niet stuk te krijgen zijn ook niet als ze bloot staan aan vervolgingen om ze opkomen voor een rechtvaardige samenleving; of vervolgd worden omdat ze geloven in Jezus Christus. Ze zijn allemaal goed af, simpelweg omdat ze goede mensen waren met oog voor anderen en niet alleen voor zichzelf; mensen levend voor waarden van algemeen belang.

Al lezen we deze tekst op Allerheiligen waarop we al degenen gedenken, die wat Jezus bedoelde op een voorbeeldige manier –wellicht ook met de nodige  moeite- in praktijk hebben gebracht en heilig zijn verklaard; daarnaast zijn de talloze niet verklaarde heiligen, die onopvallend, zonder ‘Bekende Gelovigen’ te zijn, geleefd hebben in overeenstemming met de bedoelingen van het Evangelie, in liefde voor medemens en God. Zondagmiddag staan zijn ons uitdrukkelijker voor ogen als we degenen gedenken die ons het naaste zijn geweest, aan de basis van ons leven hebben gestaan en een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de mens die wij momenteel zijn.

Allerheiligen/Allerzielen moge ons tot bezinning brengen omtrent de grondwaarden die ons leven ondersteunen. Onze heiligen zijn onze voorsprekers en voorbeelden. Amen   AR

Zondag 24-10-2021 (30 B): Heer, zorg dat ik weer kan zien!

By Preken

Van het Evangelie van deze dag zou je een scenario voor een kort filmpje kunnen maken met 3 hoofdrollen: nl. Bartimeüs, Jezus en de menigte.

In de 1e scène zien we hoe Jezus met zijn leerlingen de stad Jericho binnenkomt. Er is daar veel volk op de been met alle rumoer van dien: mensen die luid roepen, opgetogen juichen en druk praten. Jezus neemt de gelegenheid te baat zijn boodschap te verkondigen, mensen te zegenen en zieken te genezen. Hij heeft veel volk achter zich, als hij de stad weer uittrekt richting Jerusalem. Dat ligt geografisch 30 km verder en 1100 m. hoger.

De 2e scène begint stil. De camera toont een blinde die aan de kant van de weg zit, helemaal alleen. Vandaag is iedereen in Jericho. De blinde Bartimeüs heeft dat ook in de gaten. Hij heeft gehoord dat Jezus in de stad is en hij wacht gespannen tot Hij voorbij komt. Bartimeüs weet wat hem te doen staat. Als hij de menigte – met Jezus in hun midden – hoort aankomen, schreeuwt hij vanaf de plaats waar hij zit: ‘Jezus, zoon van David, heb medelijden met mij!’ Zijn geroep irriteert de voorbijgangers en ze snauwen hem toe, dat hij zijn mond moet houden. Maar de blinde blijft schreeuwen. Hij laat zich door niemand het zwijgen opleggen. Hij heeft immers niets te verliezen. Alles is beter dan bedelen en afhankelijk zijn. Er ontstaat rumoer.

De 3e scène laat zien dat Jezus op dat hartverscheurende geschreeuw blijft staan. Iedereen valt stil en Jezus zegt: ‘Roep hem eens hier’. De stemming bij de menigte slaat om. Plotseling maken ze voor de blinde de weg vrij en moedigen hem aan: ‘Sta op, Hij roept je’. Bartimeüs gooit zijn mantel af en springt overeind. Die uitnodiging geeft hem vertrouwen. Jezus en Bartimeüs staan nu tegenover elkaar en Jezus vraagt: ‘Wat kan ik voor je doen?’ ‘Maak dat ik weer kan zien’, zegt Bartimeüs. Jezus zet hem op weg en zegt: ‘Ga maar; je geloof heeft je gered’. Terstond kan hij weer zien. In de menigte ontstaat er opschudding en gejuich. Bartmimeüs gaat niet zijn eigen weg, maar sluit zich bij Jezus aan op zijn tocht. Hij gaat op in de menigte, op weg naar Jerusalem.

Om dit verhaal nader uit te diepen zoomen we nog eens in op de drie hoofdrolspelers. Beginnend bij Bartimeüs zien we, dat hij aan Jezus bijzondere namen geeft. Tot tweemaal toe noemt hij Hem ‘Zoon van David’. Hij ziet in Jezus een nazaat van David die voor zijn volk een koning en herder is geweest. Hij ziet – zo lijkt het – in Jezus de veelbeloofde Messias, de man naar Gods hart. Met deze belijdenis treft hij het geheim van het Evangelie in de kern. Hier is het de blinde die ziet, terwijl de menigte nog blind is voor dit geheim. Ook geeft Bartimeüs Jezus nog een andere naam: ‘Rabboeni’. Dat betekent: een milde en wijze leraar, bij wie je jezelf mag zijn. Bartimeüs heeft blijkbaar een diep vertrouwen. Daarom is hij zo standvastig. Hij laat zich niet van de wijs brengen of intimideren door de mensen om hen heen. Hij weet wat hij wil, dit in tegenstelling tot de menigte die zelden standvastig is, maar vaak met alle winden meewaait. Dat geldt ook voor de groep die met Jezus meetrekt. Ze zijn in zekere zin blind. Ze trekken op naar Jerusalem, de stad van vrede, maar beseffen niet dat ook blinden e.a. geroepen zijn om mee te bouwen aan vrede. Ook Jezus, de derde hoofdrolspeler, laat zich niet bepalen door de menigte. Hij luistert. Hij hoort het geroep van de blinde en roept hem dichterbij. Hij ziet zijn geloof, vertrouwen en zijn volharding. Hij wordt geraakt door diens verlangen om te zien. Hij laat hem dat verlangen ook hardop uitspreken en geneest hem. Kijken en zien: hoewel we die woorden wel eens door elkaar gebruiken, duiden ze in feite twee verschillende levenshoudingen aan. Zien is méér dan kijken. Kijken heeft vooral te maken met de buitenkant, met het uiterlijk. Zien doen we met de ogen van het hart. Als wij tegen iemand zeggen: ‘Ik zie je graag’, dan betekent dat: ‘Ik geef om je. Ik hou van je; ik heb je graag bij me’. Van het woord ‘zien’ komen woorden als ‘inzicht’ en ‘doorzien’.

Met het verhaal van de genezing van Bartimeüs sluit Marcus hoofdstuk 10 af.  We zijn daarin allerlei ‘blinden’ tegengekomen: Farizeeërs die zich blind staren op de Wet; leerlingen van Jezus die zich blind staren op macht en ereplaatsen en de rijke jongeman die zijn bezit niet kan loslaten. Dit 10e hoofdstuk loopt tenslotte uit op het verhaal van de blinde bedelaar met zijn sterke vertrouwen in rabboeni Jezus. Hij krijgt het licht. Hij wil verder met Jezus en sluit zich bij Hem aan. Zijn leven heeft een nieuwe zin gekregen, een nieuwe richting. Samen trekken ze naar Jerusalem. Daar speelt de menigte weer een hoofdrol:  bij zijn intocht roepen ze ‘Hosanna’, enkele dagen later ‘Kruisig Hem’.
Dit verhaal van Bartimeus brengt ons bij de vraag: Wat is onze rol? Wat betekent Jezus voor ons? Durven we – net als Bartimeüs – de hulp inroepen van die rabboeni, die milde en wijze leraar die ons de ogen opent voor wat ons leven zijn diepste zin geeft?

Als het vandaag gaat om inzicht en zien met het hart denk ik aan een boek van een Australische jonge vrouw, Bronnie Ware, die een baan heeft gevonden in de palliatieve zorg. In een blog op internet schreef ze over de openhartige uitlatingen van mensen in de laatste fase van hun leven: Waar hebben ze spijt van? Wat zouden ze nu anders aanpakken, als ze hun leven over zouden mogen doen? Wereldwijd kwamen er zoveel reacties dat ze haar ervaringen heeft gebundeld in een boek. Ze beschrijft er de visionaire helderheid van deze mensen aan het einde van hun leven. Sommigen zeiden: ‘Had ik maar de moed gehad om een leven te leiden waarin ik trouw was aan mezelf in plaats van te voldoen aan de verwachtingen van anderen! Anderen zeggen: ‘Had ik maar minder hard gewerkt en mijn gezin en mezelf wat meer tijd en geluk gegund!’ ‘Had ik maar de moed gehad om mijn gevoelens te uiten en eerlijker te zijn over wat er omging in mijn hart!’’Was ik mijn vrienden maar niet uit het oog verloren. Had ik maar meer aandacht aan hen besteed’. M.a.w.: Tot inzicht komen, dieper leren kijken is enkel mogelijk als we regelmatig ‘pas op de plaats’ maken, tijd nemen voor rust, bezinning en gebed.  Als wij om hulp roepen, loopt Jezus ook niet achteloos aan ons voorbij. Juist als aan Bartimeus vraagt Hij ons: ‘Wat kan ik voor je doen?’ Wat is je diepste verlangen? We mogen de Heer dan vragen ons de ogen te openen en ons te genezen van onze blinde vlekken en onze éénzijdigheden. Dat we het zullen wagen over de muren van onze zelfzucht heen te kijken, zodat we ruimer zicht krijgen. Dat we met name meer oog krijgen voor de mensen die hopeloos en hulpeloos aan de kant van de weg zitten, zoals vluchtelingen en zoveel anderen die geen toekomst zien. Ook deze Wereldmissiedag nodigt ons daartoe uit. Bidden wij dat we telkens lichtpuntjes mogen zien in – en om ons heen en dat wij dat licht met anderen willen delen.  AMEN

Zondag 17-10-2021: 29ste zondag door het jaar B 2021.

By Preken

Lezingen: Jesaja 53, 10-11; Hebreeën 4, 14 -16; Marcus 10, 35-45.

Over het algemeen tonen mensen begrip voor de elkaar en elkaars gedrag in de situatie waarin men verkeert. Zo begrijpen we, dat iemand die ziek wordt niet het werk kan doen, dat hij/zij eerder deed. Zo iemand moet eerst uitzieken. Maar het zal ons allemaal waarschijnlijk wel overkomen, dat we niet begrijpen wat erin de wijde wereld en om ons heen   gebeurt. B.v. het gevecht om de macht door de grote mogendheden. Je zou zeggen: laten we elkaar toch het bestaan gunnen en elkaar helpen met elkaar te leven. Maar klaarblijkelijk werkt het zo niet en staan landen en volken elkaar naar het leven, zoals indertijd in he Bijbelverhaal Kaïn zijn broer Abel naar het leven stond. En wat de gebeurtenissen om ons heen betreft, denk ik, dat menigeen niet goed begrijpt wat iedereen onder vrijheid verstaat. Hoever, bijvoorbeeld, gaat de vrijheid van meningsuiting? Houdt die in dat ik anderen niet hoef te ontzien? En wat het vaccineren tegen het coronavirus betreft, ben ik daarin wel zo vrij? Houdt vrijheid niet ook verantwoordelijkheid in voor de gezondheid van mijn medemensen? Begrip en onbegrip, verstaan en misverstaan en de gevolgen daarvan in ons doen en laten, blijken deel uit te maken van ons leven.

Dat geldt zeker ook over een onderwerp waar de verhalen uit de H. Schrift het over hebben. Klaarblijkelijk wordt de belofte in de oude verhalen, dat er een bijzondere figuur, een Messias, een Gezalfde van God zal komen, misverstaan. Men denkt  dan aan een soort herstel van een eerder groot rijk onder zijn leiding, waarin ieder ander volk zich te houden heeft aan de Wet en de gebruiken van het (joodse)  Volk van God. In die atmosfeer leven de leerlingen van Jezus. Als Jezus daar heel andere meningen over heeft is er onbegrip, niet verstaan, verschillende keren verzet. Ook bij de meest vertrouwde leerlingen van Jezus, eerder al bij Petrus en vandaag bij Jacobus en Johannes. Bij een koninkrijk horen belangrijke posities: raadgevers, ministers e.a. De ambitieuze Jacobus en Johannes, op een andere plek nog ondersteund door hun moeder, willen we in de toekomst zulk een belangrijke,  eervolle positie gaan innemen. Ze botsen daarbij op het standpunt van Jezus, die het heeft over het doorleven van wat het leven met alles wat daarbij hoort. Het komt erop neer, dat je je leven moet inzetten, dat je aller dienaar moet durven zijn. Bij Jezus komt dat neer op ‘zijn leven geven als losprijs voor velen’. In de tekst van Marcus, geschreven na Jezus’ dood wordt al gezinspeeld op wat er in de toekomst in het leven van leerlingen staat te gebeuren, Jacobus zal als eerste leider van de christengemeenschap van Jeruzalem worden gedood omwille van zijn geloof en daarmee de kelk drinken, die ook Jezus gedronken heeft, ondergedompeld worden in het leven door een doop, die ook Jezus heeft ontvangen. Over ereplaatsen heeft Jezus het in zijn Evangelie niet. Wel over goed terecht komen als men Hem in zijn manier van leven navolgt.

De moeite van begrip en verstaan van het standpunt van Jezus is ook in onze tijd heel wel mogelijk. Allemaal willen we wel een leven in aanzien en veiligheid. Dat is niet anders dan vroeger. In de moeilijkste periode van Jezus’ leven als zijn dienaar zijn Hem aan het kruis brengt, zijn al zijn leerlingen op de vlucht. Onder het kruis stonden alleen leerling Johannes en moeder Maria. Toch groeit Jezus door lijden en kruisdood heen tot zijn opstanding met Pasen. Dat betekent dat we goed terecht komen als ons leven zich voltrekt in dienstbaarheid en niet gericht is op belangrijke posities en geld. Als die ons deel mochten zijn is het niet verkeerd, maar ze mogen niet datgene zijn waarom het leven uiteindelijk draait. Mogen we het leven verstaan als een dienst, daar begrip voor hebben en ernaar handelen. ‘De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden en zijn leven te geven ter bevrijding  van velen’.

Amen

Zondag 10-10-2021 (28 B): Wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

By Preken

Het Evangelie van deze dag vertelt ons dat de leerlingen schrikken van Jezus’ woorden. Het is daarom goed om te weten dat Marcus zijn Evangelie heeft geschreven voor de christenen van Rome. Als je daar in die dagen als volgeling van Jezus wilde leven was dat een zware opgave, want christenen werden er vervolgd. Bovendien liep je het risico ook je familie in gevaar te brengen en dat er verdeeldheid zou ontstaan in eigen kring. Daarom zegt Jezus: ‘Wie volhardt en Mij blijft volgen, krijgt een nieuwe familie. Hij zal gedragen worden door de christelijke gemeenschap waarin hij geborgenheid vindt.’ De ernst van Jezus’ levensweg blijkt in alle scherpte uit het verhaal van de rijke jongeman die Jezus wil volgen. Het doet Jezus verzuchten: ‘Wat is het voor degenen die veel bezitten toch moeilijk om het Koninkrijk van God binnen te gaan’. Hij veroordeelt daarmee  niet de rijkdom, maar is wel zo realistisch om in te zien dat rijke mensen het moeilijk hebben, als het erom gaat zijn weg te volgen. Wat Jezus van die rijke jongeman vraagt is hyperbolisch bedoeld, d.w.z. een overdrijving. Dat verzacht wel de scherpte van Jezus’ vraag, maar niet de bedoeling ervan. Immers uit algemene ervaring blijkt dat rijkdom een uitermate gevaarlijke hindernis is voor een manier van leven, die beantwoordt aan de boodschap van Jezus. Franciscus van Assisi heeft die oproep van Jezus zeer serieus genomen en is daardoor een voorbeeld geworden. De aansporing aan die jongeman is een uitnodiging van Jezus voor mensen die meer willen doen dan het gewone, maar geen absolute voorwaarde om Hem te volgen. Na zijn bekentenis dat hij vanaf zijn jeugd de geboden van de Thora stipt onderhouden heeft , kijkt Jezus hem liefdevol aan en nodigt hem uit zijn bezit te verkopen, de opbrengst aan de armen te geven en Hem te volgen. Dat is nogal wat, als je rijk bent. Hij vraagt aan Jezus hoe hij deel kan krijgen aan het eeuwige leven. Blijkbaar is hij ondanks zijn rijkdom en zijn voorbeeldige gedrag niet helemaal tevreden over zich zelf, niet echt gelukkig. Kennelijk mist hij iets. Mogelijk voelt hij dat het leven meer te bieden heeft dan enkel profiteren van je bezit. Daarvandaan zijn vraag: wat moet ik doen, zodat mijn leven me meer voldoening geeft en eeuwigheidswaarde krijgt? Jezus waardeert zijn vraag, maar ziet het gevaar dat het beheren van al dat bezit hem zozeer in beslag neemt, dat hij uit het oog verliest wat werkelijk gelukkig maakt. Daarom zijn uitnodiging om zijn bezit te verkopen en de opbrengst aan de armen te geven. Wie van ons zou niet schrikken van zo’n uitnodiging? Immers waar blijf je in een wereld als de onze?  Getuigt het niet van een profiteursmentaliteit, als je blind vertrouwt op de milddadigheid van anderen? Natuurlijk moeten wij onze talenten zo goed mogelijk gebruiken: onze kennis, onze positie en ons bezit. We moeten op de eerste plaats goed voor ons zelf zorgen, maar we mogen niet vergeten dat we onze talenten in bruikleen hebben gekregen. Het is geen absoluut bezit. Ze zijn ons toevertrouwd om ook mensen van dienst te zijn die tekort komen en nood hebben. Onze talenten en ons bezit geven ons een gevoel van veiligheid, maar ze kunnen ook in ons de idee versterken dat we ons geluk en onze toekomst zelf in handen hebben. Dat het allemaal afhangt van ons zelf, van onze inzet en toewijding.

De rijke (jonge) man erkent dat met Jezus. Gods nieuwe wereld dichtbij is gekomen. – Jezus wijst de weg: Gods koninkrijk komt. in gehoorzaamheid aan zijn geboden.

De rijke jongeman uit het Evangelie wil vooral veel doen voor God. Daarom leeft hij stipt volgens de Joodse Wet. Als wij zoveel nadruk leggen op het doen, op onze aktiviteit, lopen we dan niet het risico te vergeten dat wij geliefde kinderen zijn van God. Als wij misschien vaak twijfelen aan de idee dat God van ons houdt en dat we zijn geliefde kinderen zijn, als we menen dat het vooral afhangt van onze prestaties, vrijgevigheid, gastvrijheid en onze aandacht voor anderen, dan is het goed ons te realiseren dat we dat Rijk van God niet kunnen kopen of verdienen. Jezus zegt: ‘Het wordt jullie geschonken, hier en nu en ook straks, als je je open stelt voor mijn Woord en mijn belofte van liefde en leven. Het feit dat Jezus stelt dat het voor mensen die veel bezitten moeilijk is om binnen te gaan in het Rijk van God, is vooral een constatering en een waarschuwing, maar geen verwijt. Hij zegt:  ‘ Als dat voor menigeen wellicht geen haalbare kaart is, bij God is alles mogelijk’.  M.a.w. God ziet mogelijkheden om mensen in beweging te brengen, ook als ze worden tegengehouden door geld of andere beslommeringen. Velen van ons hebben wel eens gehoord van wat de h. Theresia van Lisieux ‘de kleine weg’ noemt. Ze zegt: ‘ Als we de kleine dingen van elke dag in eenvoud en met liefde doen, dan zal het rozen regenen op aarde’. Zij heeft aan den lijve ervaren dat heiligheid door de navolging van Jezus niet het resultaat is van onze inspanningen, maar of we het aandurven met lege handen voor God te staan? Moeten we niet de idee loslaten dat wij Gods liefde en waardering zelf moeten verdienen? Hij houdt van ons zoals we zijn. Van ons wordt gevraagd of we  het aandurven Hem de vrije hand te geven in ons leven en te vertrouwen dat Hij altijd bedacht is op ons geluk. Er komt dan hoop, rust en ontspanning in ons leven. Wij werken dan niet voor God, maar wij doen Gods werk. Dat is iets anders.
AMEN.

zondag 3-10-2021. 27ste zondag door het jaar B 2021.

By Preken

Lezingen: Genesis 2, 18-24; Hebreeën 2, 9-11; Marcus 10, 2-16

Er is momenteel nogal wat discussie over menselijke relaties en hun ontwikkeling. Het betreft de man-vrouwverhouding, maar ook de relaties van lhbt-ers (homo’s, lesbiennes, biseksuelen en transgenders en de acceptatie daarvan in de samenleving. De stabiliteit van het huwelijk staat onder druk. Scheiden is de norm  stond in een NRC-artikel een aantal weken geleden). Veel mensen leven samen zonder te trouwen. Van de andere kant verlangen lhbt-ers, geaard zoals ze zijn, met elkaar te kunnen trouwen.

In de lezingen uit de H. Schrift van vandaag wordt  het wezenlijke in menselijke relaties aangegeven: het erkennen van elkaars eigenheid en de onbaatzuchtige liefde, die mensen met elkaar één maakt. Maar die verbondenheid  krijgt gestalte in menselijke culturen en die  stellen vaak hun eigen eisen, die weer anders zijn dan bij ons. We hebben dat ervaren sinds er mensen uit andere culturen in toenemende mate onder ons zijn komen wonen. In de Islam, bijvoorbeeld wordt anders gedacht over de menselijke relaties dan bij ons in de ontwikkelingen die zich hier voordoen. En ook bij ons wordt verschillend gedacht.

In deze overweging wil ik me niet bezig houden met de hedendaagse discussies daarover, maar  met wat in de geschiedenis van God met ons, te vinden is o.a. in de lezingen van vandaag.
In het 2e hoofdstuk van het Boek van de Schepping zijn wij mensen van deze aarde. God boetseerde n.l. de mens als een pottenbakker uit aarde. Maar een mens is ook meer dan ‘van de aarde’. God blies zijn adem in de mens, die daardoor tot leven kwam. Wij zijn daarmee niet alleen van de aarde maar ook mensen van God. Ook is duidelijk dat mensen verschillend zijn en op elkaar aangewezen. Samen zijn ze pas als mens compleet. Dat is te vinden  in het verhaal van de vorming van de vrouw uit de rib van de niet complete mens, de man. De man erkent dat hij niet compleet is en niet zonder haar kan. Zij is -in de juiste vertaling – een ‘hulp, die tegenover hem staat, die hem beantwoordt’ , die de mens een en compleet maakt de ene mens gelijkwaardig aan elkaar.  Andersom is die ervaring er ook van de vrouw t.a.v. de man. Dat is best wel bijzonder in de verschillende culturen onder mensen, waar de een de ander overheerst en aan zich ondergeschikt maakt. In onze cultuur leeft in toenemende mate het besef dat lhbt-ers volwaardige mensen zijn, op de wereld gekomen, geaard zoals ze zijn. Onproblematisch blijkt dat echter nog niet omdat het niet door iedereen wordt aangevoeld.
Wat een rol speelt als onontbeerlijk element in onze menselijke relaties is de trouw. En, trouw vraagt volharding.  Voor de gelovige mens vindt onze menselijke trouw zijn wortels vindt in de trouw van God t.a.v. ons. Wij, christenen, beleven die trouw bijzonder in de menswording, het leven, de dood en de opstanding van Jezus Christus. Hij gaf zijn leven in trouw en liefde voor ons, om ons de weg naar God te wijzen. Hij was niet ik-gericht, maar gericht op ons. Hij zelf was de gestalte van Gods trouw onder ons. Als christenen zich in een huwelijksinzegening  aan elkaar verbinden speelt de intentie van de volgehouden trouw een rol. Men zegt ermee aan elkaar: ‘jij, met wie ik me verbind als de ene mens kunt van mij op aan in goede en kwade dagen tot de dood ons scheidt. Gods eeuwige trouw moge ons daarbij zegenen’. Ons christelijk huwelijk is daarmee meer dan een wettelijk vastgelegde verplichting waar men bang voor moet zijn er niet meer onderuit te kunnen. Het wortelt in Gods trouw. Maar in onze complexe samenleving met zijn hoge verwachtingen t.a.v. elkaar ontstaat eerder het gevoel dat de ander niet (langer) aan de eigen verwachtingen beantwoordt en gaat men uit elkaar. Is dat vanwege ‘de hardheid van het hart’? Jezus stelt ons een ideaal voor te midden van de realiteit van zijn dagen. Wij leven in de realiteit van ónze dagen met de effecten daarvan op hoe mensen zich tot elkaar verhouden. De liefde geworteld in Gods trouw aan ons blijft.

De vertaling ‘mannin’ voor een vrouw is verkeerd. Het Hebreeuws gebruikt woorden waarin man en vrouw dezelfde oorsprong heeft: Iesj (man) en Iesja (vrouw). Mannelijke en vrouwelijke mens, zou daar dichterbij komen. AR

Zondag 26-9-2021 (26 B): Stel je open en sluit niemand buiten.

By Preken

Denken en praten in termen van voor- en tegenstanders is iets van alle tijden. We beluisteren dat ook in de lezing uit het Boek Numeri. Hierin wordt verhaald hoe Jozua, de trouwe helper van Mozes, op een soortgelijke manier reageert. In het Evangelie horen we hoe ook de apostel Johannes in dezelfde trant denkt.  Hij heeft gemerkt dat iemand die niet tot hun groep behoort in Jezus’ naam duivels uitdrijft. Hij komt geïrriteerd naar Jezus en zegt tegen Hem: ‘ Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef. We hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij geen volgeling van ons is’. Het lijkt wel of Johannes zich door deze mens bedreigd voelt en jaloers is. Hij reageert als door een wesp gestoken, omdat een buitenstaander klaar krijgt wat hun tot nog toe niet is gelukt. Johannes voelt dat als ongeoorloofde concurrentie. Stel je voor: Zij hebben alles prijs gegeven om Jezus te volgen en nou begint daar een wildvreemde, die niet tot hun groep behoort, mensen te genezen met een beroep op de naam van Jezus. Vorige zondag hebben we gehoord hoe Jezus een kind  in de kring van de leerlingen plaatst en hen de eenvoud en onbevangenheid van kinderen ten voorbeeld stelt. Wie de grootste wil zijn, moet uitmunten in dienstbaarheid, vooral voor mensen die weerloos zijn als kinderen. Jezus heeft een hekel aan arrogantie en jaloezie. Afgunst en hoogmoed beschouwt Hij als eigenschappen die het samenleven vergiftigen. Ze laten zien dat je op je medemens neerkijkt en zijn waardigheid als kind van God miskent. Als je je arrogant gedraagt of jaloers bent, dan doe je ook jezelf tekort. Wie enkel oog heeft voor eigen rijkdom en talenten, vergalt daarmee zijn levensgeluk. En dat weegt nog zwaarder als we ons als christenen zo gedragen. Dan misvormen wij Jezus’ boodschap en misleiden we anderen die op zoek zijn naar hun levensgeluk. Het lijkt alsof er reeds in Jezus’ dagen twee kringen van volgelingen zijn ontstaan: nl. de twaalf en anderen die met Jezus meetrekken . En de mensen die geluisterd hebben naar zijn boodschap, er enthousiast over zijn, maar hun vertrouwde leven voortzetten. Ze proberen in Jezus’ geest te leven door hun naasten wel te doen en van dienst te zijn. Soms is dat niet meer dan iemand een beker water aanbieden. Voor deze gewone en eenvoudige gelovigen neemt Jezus het op. Vandaar dat Hij stelt dat de mensen van zijn kerngroep geen aanstoot mogen geven aan hen die niet met Hem meetrekken, maar positief reageren op wat Hij vertelt en doet. Zij handelen in zijn Geest, gewoon in de omgeving waar zij wonen en werken. Zij zijn gastvrij en dienstbaar en beoefenen de naastenliefde. De woorden waarmee Jezus zijn leerlingen een spiegel voorhoudt zijn hard. Dat is nodig, want anders dringt zijn boodschap niet tot hen door. Menige gesloten groep lijdt aan zelfverblinding, is kortzichtig en heeft a.h.w. een huid als een olifant. Dat is een groot probleem binnen een geloofsgemeenschap. Dat Jezus zich frontaal en scherp tot hen richt, getuigt van zijn goddelijke zending. Als je nl. denkt dat jij mensen die niet op jouw lijn zitten en waar jij je aan stoort, kunt uitsluiten, zegt Jezus, begin dan maar eens bij je zelf, maar blijf met je handen van het lichaam van de Messias af, van de geloofsgemeenschap. Die ander die niet tegen je is, maar die jou irriteert, druk hem niet weg, sluit hem niet uit. Hij hoort er bij. Hij is voor. De kerkgeschiedenis leert dat er honderdduizenden zijn verbrand, vermoord en vergast, omdat ze twijfelden, sceptisch waren of niet in  een God konden geloven. We weten dat miljoenen Joden als dissidenten zijn afgeslacht, terwijl ze dezelfde God aanbaden, dezelfde Schriften lazen, dezelfde werken van barmhartigheid verrichtten en uitzien naar dezelfde Messias.

Misschien hebt U zich wel eens afgevraagd: waar die hardnekkige neiging vandaan komt om wie anders denken en handelen dan wij gewend zijn buiten te sluiten? Waar ligt de bron van dat verlangen? Zou het kunnen zijn dat we ons onvoldoende realiseren dat wij zelf van hand tot oog, van oog tot voet, leven van genade? Dat ons leven geen eigen verdienste is, maar dat we alles hebben ontvangen? Alle haren op ons hoofd, alles in ons oog, alles aan onze handen, onze tastzin en onze voeten. Wij hebben het allemaal ontvangen, gratis en om niet. Al die gaven zijn niet het resultaat van onze prestaties. Abba, onze Vader in de hemel, die de onvoorwaardelijke goedheid zelve is, Hij gunt ons het leven zonder dat wij er iets voor gedaan hebben. En wij leven vaak alsof het allemaal van ons afhangt en ons leven het gevolg is van eigen verdiensten. Het lijkt alsof we niet kunnen verdragen dat wij onverdiend leven en genadebrood eten, niet kunnen verdragen dat wij geen eigenaars zijn maar slechts gasten in het huis van het leven. Kunnen wij wel verdragen dat God niemand buitensluit, absoluut niemand? Volgens ons oordeel klopt dat niet. Wie zich aan de rand bevinden van wat wij beschouwen als voorwaarden voor een menswaardig leven, die schakelen we uit. Wij hebben de neiging om ons te gedragen als baas en eigenaar van het leven. Zo gauw als wij binnen zijn en het naar onze zin hebben, willen wij huisgenoten die niet aan onze normen beantwoorden buiten de deur zetten. Het lijkt wel alsof wij de naam die  God zichzelf geeft, vergeten zijn: nl. ‘ Ik zal er zijn voor u’. Die naam vormt immers de rode draad in het verhaal van God die een weg wil gaan met mensen. In de mate dat wij ons die naam, deze goddelijke houding proberen eigen te maken, zal Hij ons naar het levensgeluk kunnen brengen. De keuze is aan ons. Sluiten we ons liever op in het comfort van eigen zekerheden of durven we het risico aan gehavend, gekneusd en vuil te worden, omdat we naar de ander zijn gegaan? Als je bedenkt hoeveel we op het spel zetten voor geld, carrière en gezondheid, kun je je afvragen: wat durven wij investeren voor ons ware levensgeluk? Bidden wij dat Gods Geest ons zal leiden. AMEN.