Zondag 11-4-2021: 2e zondag van Pasen (B 2021)

By Preken

Lezingen: Handelingen 4, 32-35; 1 Johannes 5, 1-6; Johannes 20, 19-31

Een dezer dagen ging een onderdeel van het  TV- nieuws over een versoepeling van de coronamaatregelen v.a. 21 april. Er was een restauranthouder, die er met zijn personeel een glas champagne op nam, zo blij was hij met het goede nieuws. Maar er was ook op het nieuws een jonge man, die, horend van de versoepelingen, zei: ‘eerst zien en dan geloven’ welnu, die woorden hebben we zo juist gehoord in het Evangelie. De apostel Thomas wil bewijzen zien, zijn hand wil leggen op de plaatsen van Jezus’ wonden.  Er valt ook begrip op te brengen voor Thomas. We moeten ons de situatie van de leerlingen voorstellen na de kruisdood van Jezus. Ogenschijnlijk hebben Jezus en zijn leerlingen verloren. Hij als een misdadiger terechtgesteld;  zij, de een ’n verrader, de ander ontkennend dat hij Jezus kende, de rest, behalve Johannes en moeder Maria, op de vlucht. Als Thomas dan geconfronteerd wordt met de verhalen over Jezus als een levende, ontlokt dat bij Thomas de woorden: eerst zien, lichamelijk kunnen aanraken, en dan geloven. Hij wil, zoals menigeen onder ons zekerheid, geen illusie. Zo zou Thomas wel eens een voorbeeld kunnen zijn van de huidige mens, die niet zomaar tot geloof komt. Geconfronteerd met Jezus komt Thomas tot een belijdenis, die fundamenteel is: ‘Mijn Heer, en mijn God. Daar zit alles in. Ook wij nemen niet gauw voetstoots iets aan, ofschoon we op allerlei manieren daartoe worden verleid. Denk maar aan alle reclame en cookies, die ons iets als noodzakelijk voor ons welbevinden aanprijzen. Geloof in Pasen kan moeite kosten, maar onze  aanname van Jezus’ opstanding berust op het getuigenis van de apostelen. Zij hebben ervaren dat Jezus leeft. Zelf zijn we niet met Jezus omgegaan in levende lijve. Wij steunen op het getuigenis van zijn leerlingen. Op hen berust ons gelovig vertrouwen. ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’, zegt Jezus. Johannes, die zijn Evangelie schrijft tegen het einde van de eerste eeuw, heeft ongetwijfeld degenen voor ogen gehad, die Jezus niet meer lijfelijk hebben meegemaakt.

Dat geloven in Jezus had en heeft ook zijn betekenis voor de manier van leven van christenen. Als gelovigen horen we bij elkaar. De eerste christengemeente van Jeruzalem trok zijn conclusies uit de geboden van de liefde voor God en medemens, die ze van Jezus hadden meegekregen. Ze waren eensgezind mede in hun geloof aan het getuigenis van de apostelen. Ze deelden wat ze bezaten met elkaar. Er waren klaarblijkelijk mensen, die het konden missen en een gedeelte van wat ze hadden te beschikking stelden van de apostelen, opdat zij het konden verdelen onder de armen. De verbondenheid  met elkaar  had ook te maken met het feit, dat ze een minderheid vormden met afwijkende opvattingen. Jezus had hen geleerd te zorgen voor medemensen in nood, ook al was het sabbat. De dienst aan de medemens in nood stond voorop. Maar ook God aan wie ze hun eigen bestaan en Jezus te danken hadden verwaarloosden ze niet. In Jeruzalem namen ze deel aan de tempeldienst totdat mede door het toetreden van zogenoemde ‘heidenen’ ook eigen vieringen georganiseerd werden op de zondag, de eerste dag van de week, de ‘Dag van de Heer’, dag van Jezus’ verrijzenis. De belangrijke kenmerken uit de manier van leven van de 1e christenen zijn eigenlijk altijd gebleven: Het vasthouden aan het getuigenis van de apostelen over Jezus en dien opstanding met Pasen; het tijd nemen voor gebed, ook gemeenschappelijk; het zorg besteden aan de medemens, vooral de medemens in nood; met als resultaat de eensgezindheid. Het zijn elementen waarin Kerk en parochie gemeenschapsvormend zijn. Die elementen mogen we ook in onze meer op het “Ik”-gerichte tijd niet verwaarlozen. Ze geven fundament aan ons parochie-zijn, aan ons christen zijn, aan ons dorp.

AR.

Zondag 4-4-2021: Pasen zichtbaar maken.

By Preken

PASEN ZICHTBAAR MAKEN

Acht monniken werden in Algerije met moord bedreigd, maar bleven trouw aan hun belofte en aan de plaatselijke bevolking. In 1996 werden ze vermoord. Xavier Beauvois maakte daar een film over. Gevraagd naar het waarom zei hij:   ‘ Ik wil het mysterie van de Paaservaring voelbaar maken’.  Geloven in Pasen is niet uit te leggen en kun je alleen maar laten zien, laten voelen. Pasen wordt voelbaar in de manier waarop de monniken er in slagen om ondanks alle angst toch samen te beslissen om niet te vluchten, maar er te zijn voor de mensen waartussen zij wonen.
Een ander bericht gaat over een zuster die werkzaam was in een dictatoriaal land: Ze was haar leven niet zeker en moest elke nacht ergens anders slapen. Toch vertelde ze vurig en enthousiast over haar werk onder de verdrukte bevolking. Iemand uit de zaal vroeg haar: ‘Zuster hoe kunt u dan toch zo enthousiast vertellen? Ze keek wat verlegen, pakte een krijtje en schreef op het bord “Verrijzenis”. Het geloof in ‘leven sterker dan de dood’ is  niet uit te leggen, maar wel af te lezen aan mensen die zich door niemand laten afschrikken om te blijven vechten voor een wereld ‘waarin dood en tranen niet meer zullen zijn’’.
U herinnert zich misschien nog pater Frans van der Lugt, die in de Syrische stad Homs werkte onder de plaatselijke bevolking. Eén dag voor zijn dood schrijft hij:  ‘Christenen hier vragen zich af: wat kunnen we doen? Wij kunnen niets doen… God help ons. Een mens kan niets doen, maar hij gelooft dat God mét hem is in moeilijke omstandigheden, dat Hij de gelovige niet in de steek laat…God wil geen kwaad en zijn blik rust vol liefde op degenen die Hij liefheeft. God helpt een mens zijn moeilijkheden te dragen, geduldig te zijn en te blijven hopen… We zien het kwaad oprukken, maar dat kan ons niet blind maken voor goedheid, en we kunnen het kwaad niet de goedheid uit ons hart laten verdrijven.’  Daags na deze Paasboodschap is hij doodgeschoten.                                                                      Wij vragen ons af: Wat is de kern van de paaservaring? Als we proberen van God uit te denken dan is Pasen het getuigenis dat God Jezus niet in de dood heeft achtergelaten. Pater Benoit Standaert schrijft: ‘De eerste leerlingen kregen van Godswege deze overtuiging: voor God is Jezus geen afgeschrevene. De Wet van Mozes mag dan wel stellen: ‘Vervloekt is hij die hangt aan de schandpaal’ (Deut. 21, 23) Wij hebben vernomen en getuigen: bij God is het compleet anders! God heeft ons te kennen gegeven dat Hij zijn Zoon na de smadelijke dood ‘ heeft opgewekt uit het graf en bij Zich verheven heeft’,’ in zijn glorie heeft opgenomen en Hem doet zetelen aan zijn rechterhand’. Dit inzicht sluit aan bij wat de leerlingen van Jezus zelf gehoord hebben: God – zijn Vader – is Iemand die uitgestotenen uitverkiest, marginalen in het centrum plaatst, de zondaars aan zijn tafel neemt en met hen eet. Toen Jezus zelf uitgestoten werd en gekruisigd, heeft God volgens zijn eigen aard, zijn veelgeliefde Zoon, tot Zich genomen, ja verheerlijkt.
Een vraag die velen zich stellen, ook onder christenen, luidt: Is de verrijzenis van Jezus een verhaal dat je symbolisch moet verstaan, zoals over het eten van die vrucht in het paradijs? In de Evangelies vinden we nergens een beschrijving van hoe die verrijzenis precies is verlopen. We vinden alleen waarnemingen achteraf: zoals de weggerolde steen, het lege graf en de opgerolde doeken. Het zijn kleine discrete aanwijzingen die ons, net als de leerlingen van toen, in verwarring brengen en doen nadenken. Feit is dat Jezus tot het uiterste het lot heeft gedeeld van mensen in de marge, zoals zieken, melaatsen en anderen die werden gemeden en als zondaars beschouwd. Als Jezus, na zijn lijden en dood, leeft bij de Vader, buiten de agressie van het kwaad en de erosie van de tijd, dan is zijn verrijzenis een teken van Gods liefde. Het is geen waterdicht bewijs waar je niet omheen kunt, maar een teken van liefde, verstaanbaar voor wie  God liefheeft. Je zou kunnen stellen: het lege graf en de opgerolde doeken zijn een teder en liefdevol signaal, een knipoog van de hemelse Vader. Mensen die naar bewijzen zoeken en om getuigen vragen kunnen er niets mee. Ze zijn veeleer bedoeld voor hen die God in hun hart dragen en de taal van zijn liefde verstaan. In een wereld waarin de sterkste altijd gelijk heeft, waar het goede niet altijd wordt beloond en het kwaad niet altijd gestraft, geeft God ons in de verrijzenis een teken dat Hij, buiten de omheining van dit aardse leven en deze wereld, aan de kant staat van de zwakste; dat Hij wél het goede beloont en het kwaad bestraft. Jezus’ verrijzenis is een teken dat Hij de kleine mens blijft liefhebben tot over de dood heen.. Het is een teken zonder woorden, zonder bewijskracht. Het teken van Iemand die alleen maar liefheeft. We proeven het in verhalen als van de Algerijnse monniken, de missiezuster en pater Frans. Als mensen zich naar aanleiding van Jezus’ verrijzenis afvragen of er ook voor ons leven is na dit aardse leven, dan zijn er ook geen glasharde bewijzen. Maar wie zich door God bemind weet, wie ooit iets van zijn liefde heeft geproefd, is er zeker van dat Gods liefde niet ophoudt bij de dood, maar ons over de grens van de tijd, verder draagt naar een nieuw en ander bestaan.
ZALIG PASEN!  

Zondag 28-3-2021: Palmzondag (B) Inleiding.

By Preken

Het schouwspel ‘The Passion’, dat de TV uitzendt op de avond van Witte Donderdag na het journaal,  dit jaar vanuit Roermond, is een happening die de aandacht trekt van miljoenen kijkers. De programma-makers plaatsen de laatste dagen van Jezus’ leven in onze tijd. Het is een happening die velen raakt en ontroert. Van de 4 Evangelisten die het verhaal van Jezus’ lijden vertellen – ieder op hun eigen manier – horen we vandaag de versie van Marcus. Het maakt een groot verschil met welke houding we naar zijn verhaal luisteren. Blijven wij toehoorders op  veilige afstand of proberen we ons in te leven en te ontdekken welke rol wij zouden willen spelen in dit verhaal? Jezus heeft in zijn dagen zijn intocht gehouden in Jerusalem, maar Hij wil ook nu in ons leven binnentreden, niet hoog  op een paard, maar op ooghoogte, zittend op een ezel, het rijdier van de eenvoudige mensen. Hij kijkt ons aan en nodigt ons uit om met Hem mee te gaan. Als we dat proberen in deze week, worden wij getuigen van  zijn intocht in de stad Jerusalem, het verraad door Judas en de gevangenname, het paasmaal, de verloochening en bespotting en tenslotte zijn afschuwelijke kruisdood. Hij komt in heel dat gebeuren naar voren, niet als een koning van pracht en praal, maar als een dienaar. Ondanks zijn goddelijke oorsprong, is Hij een knecht geworden, een man die de kant heeft gekozen van armen en behoeftigen, van  zwakke en gekwetste mensen. Deze dienaar die onschuldig de dood heeft gevonden op het kruis, heeft God verhoogd , zegt Paulus. Hij heeft Hem gemaakt tot Heer van alles en allen. God heeft zijn vernederde leven ‘recht gezet’ in het mysterie van de verrijzenis. Daar willen wij in deze week opnieuw bij stil staan en het ons bewust worden. T huis  steken wij ons palmtakje achter het kruis. Wij hopen opnieuw geïnspireerd te worden om van toeschouwer meer bewust volgeling van Jezus te worden, deelnemers aan zijn opdracht. Jezus was een doorn in het oog van de Joodse overheidspersonen, omdat Hij het heil van mensen belangrijker vindt dan de letter van de Wet en omdat Hij God zijn Vader noemt. Tot 3x  toe heeft Hij zijn leerlingen gezegd wat er met Hem gaat gebeuren,  maar ze begrijpen het niet en maken zelfs ruzie over  de voornaamste plaatsen in zijn komende koninkrijk.  In de Olijfhof vallen ze in slaap en ze slaan op de vlucht, als Hij gevangen wordt genomen. Petrus zweert zelfs dat hij Jezus niet kent, als hij in het nauw komt. Niets menselijks is hen en ons vreemd. Bedrog en verraad,  machtsmisbruik en geweld, eigenbelang en egoïsme: ook in onze wereld zijn ze  aan de orde van de dag. Met de regelmaat van de klok vallen er brieven op onze deurmat, waarin organisaties onze hulp vragen. Om enkele voorbeelden te noemen:  tanks of putten voor scholen en dorpen voor schoon drinkwater, zodat onnodige infectieziektes voorkomen kunnen worden; medicijnen voor vluchtelingen die chronisch ziek zijn zoals diabetis-patiënten of mensen die lijden aan lepra of HIV. De Vastenactie vraagt onze bijdrage om een goede vakopleiding te bieden aan jongeren in ontwikkelingslanden. Noodhulp voor vluchtelingkampen, waar mensen opeengepakt zitten en er gebrek is aan de meest elementaire levensbehoeften. Enz. Zoveel volwassenen en kinderen in wie Jezus lijdt in onze dagen. Moge de H. Geest ons hart openen en de moed geven om te delen in hun nood.

21-3-2021: 5e zondag van de veertigdagentijd (B 2021)

By Preken

Lezingen: Jeremia 31, 31-34; Hebreeën 5, 7-9; Johannes 12, 20-33

Het is van groot belang, beste mensen, om in tijden van nood en tegenslag, de moed erin te houden.  We maken dat momenteel zelf mee nu een derde coronagolf dreigt. Bij personeel in de zorgpersoneel is de rek eruit, meldt het nieuws. Het loopt op zijn tandvlees, wordt gezegd. Bij de overige medeburgers zorgen de overheidsbeperkingen voor de nodige stress. Men wil zijn vrijheid terug of wat men daaronder tegenwoordig verstaat: geen belemmeringen aan onze bewegingsvrijheid, onze samenkomsten, onze fysieke contacten. Mentaal en psychisch raken veel mensen toe aan hun grenzen. Ondernemers met geen of weinig inkomsten raken hoe langer hoe meer gefrustreerd. De vraag naar versoepeling van de maatregelen worden steeds sterker. Men wil perspectief. De regering is verdeeld. Waar halen we de kracht vandaan om vol te houden?

‘Waar halen we de kracht vandaan’. Het was ook de vraag, die de ballingen in Babylonië bezig hield. Het was een vraag, die Jezus en zijn leerlingen bezig hield. De eerste lezing antwoordt aan het volk in ballingschap. Jeremia heeft een boodschap van hoop. Hij zegt: ‘we hebben te maken met een mensgetrouwe God, die altijd bereid is het verbond met zijn mensen te vernieuwen ook zijn ze hem ontrouw. Het antwoord in de tekst uit het Evangelie van Johannes is daarentegen confronterend. Maar we kunnen niet om de tekst heen zoals die er staat. Eerst slaat die op Jezus, de Mensenzoon zelf: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voort’. (Aad de Haas heeft in zijn kruiswegstaties in de kerk van Wahlwiller de lijkwade waarin Jezus Christus begraven wordt de vorm gegeven van een graankorrel).

Verrassend is, dat Johannes die uitspraak in verband brengt met de verheerlijking, het perspectief van Jezus.  Door zijn dood heen komt Jezus tot zijn verheerlijking. Vervolgens wordt de uitspraak algemener: ‘wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwig leven.

  1. Houden we voor ogen dat ‘wereld’ bij Johannes vaak een negatieve betekenis heeft in de zin van ‘wat niet overeenstemt met Gods bedoelingen, of wat van God is afgekeerd’, het kwaad dus. Een leven dat zich richt op die ‘wereld’ moet je -sterk uitgedrukt- ‘haten’

De noodzaak het leven te verliezen slaat op Jezus en op ons. Jezus roept ons op tot navolging.  Dat het ook voor Hemzelf geen eenvoudige opgave is daaraan geeft Hij uiting door te zeggen: ‘nu ben ik doodsbang’. Hij bidt zelfs tot zijn Vader om die kelk een Hem voorbij te laten gaan (zie het schilderij boven het hoogaltaar van de kerk in Eys). Van de andere kant erkent Jezus dat sterven bij zijn leven hoort en dat door zijn gehoorzaamheid het kwaad in de wereld veroordeeld wordt en overwonnen. Dat is zijn perspectief.

De levenshouding van Jezus, die aanvaardt wat Hem overkomt wijkt af van de levenshouding van nu. Ik vond die vandaag aldus getypeerd:  ‘Onze  samenleving, is helemaal op het ‘IK’ gericht. De tijdgeest daarvan zegt tegen ons: je moet dat doen wat helemaal bij jóu past. Je bent uniek. Alleen jíj weet wat goed voor je is’. Die levenshouding houdt het gevaar in dat we ons buiten de realiteit waarin we leven plaatsen met diepe eenzaamheid tot gevolg. Jezus leert ons dat zijn en ons leven betekenis krijgt niet doordat we onszelf vastklampen aan onszelf, maar doordat we de werkelijkheid waarin we staan accepteren en onszelf geven.  Jezus’ dood vormt het sluitstuk van zijn zelfgave en is tegelijk de waarborg van zijn opstanding. Laten we leven, met hulp van Gods genade, in navolging van Jezus Christus georiënteerd op God en weldoen aan de medemens, opdat we mogen delen in Jezus’ Pasen. AR.

Zondag 14-3-2021: (4 VA B) Verlangen Jezus dieper te leren kennen…

By Preken

Johannes  vertelt ons over een merkwaardige ontmoeting. In het Evangelie van deze dag vallen we midden in een gesprek dat Jezus voert met een zekere Nicodemus. Hij is een Farizeeër en is bovendien lid van het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad. Hij neemt zijn geloof serieus. Waarschijnlijk heeft hij net als zijn collega’s moeite met de vrijmoedige manier waarop Jezus omgaat met de voorschriften en tradities van het Joodse geloof. Anderzijds is hij ook diep onder de indruk van de wonderbare tekens die Jezus verricht. Hij zet zich niet angstvallig tegen Jezus af, maar wil Hem nader leren kennen. Voor hem is duidelijk: geen mens kan zulke tekens verrichten, als God niet met hem is. Om  niet gezien te worden, komt hij ’s nachts naar Jezus toe. Jezus begrijpt het verlangen van Nicodemus en zegt tegen hem: ‘Als U Mij beter wilt leren kennen, moet er iets veranderen in U. U moet opnieuw geboren worden’.  Nicodemus snapt niet wat Hij bedoelt, maar Jezus legt hem uit dat het niet gaat om een natuurlijke hergeboorte, maar dat hij met andere ogen naar de werkelijkheid moet kijken. Als hij wil zien waar het in het Rijk van God om draait, dan moet hij niet blijven staren door de smalle koker van de Joodse regels en voorschriften. Dan sta je nl. de H. Geest in de weg die waait en werkt waar Hij wil. Jezus legt uit: God houdt zoveel van de mensen, dat Hij zijn Zoon heeft gestuurd om te redden wie vastzitten in duisternis. Die Zoon is niet naar de wereld gekomen om haar te oordelen, maar om haar licht te brengen. Jezus legt uit: ‘Wie de waarheid dóet, zoekt niet de duisternis maar gaat naar het licht. Waarheid moet in praktijk gebracht worden. Door zijn optreden heeft Jezus dat laten zien. Daarom was Hij niet streng en star, maar begaan met mensen, met hun wel en hun wee. Wetten en regels bewegen niet en houden geen rekening met innerlijk verdriet en onvermogen. Wij mensen kunnen bewegen. Het gebeurt dat wij iemand op grond van een eerste indruk beoordelen als een aansteller of een stug persoon, totdat we horen wat die mens heeft meegemaakt, hoe diep zijn angst zit en hoe hij zich ondanks de pijnlijke dingen die hij heeft meegemaakt staande houdt. Zo  zijn wij in staat om mee te bewegen met het lot van mensen. Dat is iets anders dan gedogen. Gedogen is door de vingers zien, een andere kant op kijken. Meebewegen met de ander doe je door te luisteren en proberen te verstaan. Dat wij dat kunnen is een geschenk van God, zegt Paulus. God is rijk aan barmhartigheid, beweegt met ons mee. God gedoogt niet, maar houdt van ons en wil ons redden. Wij worden nergens opgeroepen om streng te zijn, maar de waarheid recht te doen en ons hart te laten raken. Als wij er niet op uit zijn te oordelen, maar elkaar willen redden, dan wordt het leven lichter. Jezus zegt: Als we ons openstellen worden wij in al ons doen en laten ‘bijgelicht’ door Gods Geest. We worden geen beter mens door elkaar de maat te nemen of de ander met strengheid terecht te wijzen, maar als we met elkaar meeleven en ons laten raken door zijn/haar verhalen van lief en leed.  Zó barmhartig is God, zegt Jezus. En wij worden uitgenodigd in diezelfde Geest met elkaar om te gaan. Dan komt de waarheid aan het licht.

Na vele jaren van bidden en mediteren en het delen van lief en leed met zijn christengemeente, komt de evangelist Johannes tot de conclusie: ‘Zozeer heeft God de wereld lief, dat Hij zijn Zoon heeft gegeven, opdat al wie naar Hem opkijkt en zich op Hem oriënteert, niet verloren gaat, maar eeuwig leven bezit, niet alleen straks, maar nu reeds.’. Als wij opkijken naar Jezus’ kruis, realiseren we ons vaak niet dat aan het hout Iemand hangt die op een uiterst pijnlijke en afschuwelijke manier ter dood is gebracht. Een Man die niet kon verdragen dat medemensen slachtoffer werden van een systeem dat de Wet stelde boven het geluk van mensen en dat sommigen onrein verklaarde en buiten de gemeenschap sloot. Een systeem waarin machthebbers zich lieten gelden ten koste van de kwetsbaren. Zijn consequent opkomen voor de rechten van weerlozen, armen, zieken en zondaars heeft Jezus met zijn leven moeten betalen. Als wij onze aandacht blijven richten op Hem, de Gekruisigde, werkt dat ook genezend en reddend voor ons. Hij lijdt nog steeds in talloze medemensen die uitzien naar bevrijding. Dat is de boodschap die Johannes ons doorgeeft in Jezus’ Naam. Wij worden uitgenodigd om zijn licht over ons leven te laten schijnen. Hij laat ons een nieuwe horizon zien. Bidden wij dat Gods liefde en bevrijding ook zichtbaar mag worden in ons doen en laten. AMEN.

Zondag 7 maart 2021: 3e zondag in de veertigdagentijd (B 2021)

By Preken

Lezingen: Exodus 20, 1-17; 1 Korintiërs 1, 22-25; Johannes 2, 13-25.

We worden regelmatig gewaar, beste mensen, dat agressiviteit bij onze samenleving hoort. GGD-teststraten hebben ermee te maken, politiemensen en boa’s, politici, artsen en mensen werkzaam in de zorg. De uitingsmogelijkheden zijn vergroot door de moderne media en door de interpretatie van het beginsel van ‘de vrijheid van meningsuiting.

Maar in het Evangelie van Jezus met zijn nadruk op de geboden van de liefde tot God en medemens is agressiviteit van de kant van Jezus een zeldzaamheid .  Vandaag hoorden we hoe Hij geldwisselaars, kooplui, offerdieren wegjoeg uit de tempel. ‘Maak van het huis van mijn Vader geen markthal’. Het lijkt erop of Hij wil zeggen: als je tempels, kerken, synagogen, moskeeën bouwt gebruik ze dan waarvoor ze bestemd zijn n.l. voor gebed en eredienst; niet om geld te verdienen, niet voor marktwerking.  Houdt de bestemming zuiver.

Het is bij ons de reden, dat als kerken niet meer onderhouden kunnen worden voor de eredienst, zij door de bisschop, na advies, , onttrokken worden aan de eredienst. De gebouwen kunnen dan een andere bestemming krijgen.

Toch wordt aan de tempel als gebouw door Jezus geen absolute waarde toegekend. De echte tempel waarin God woont is Hijzelf en de gemeenschap van  gelovigen rondom Hem gevormd. God woont in Hem en zijn mensen, In ons dus. Daarbij wijst leerling Johannes  in zijn Evangelie op wat er met Jezus, Gods tempel, te gebeuren staat. Hij in wie  God woont wordt afgebroken door zijn dood aan het kruis. We gedenken dat in de Goede Week. Maar zijn  afbraak is niet het einde. De derde dag, met Pasen, wordt Hij weer opgebouwd.

Al eeuwenlang komen gelovigen samen in kerkgebouwen om hun geloof  in Hem te vieren. We  worden er ons bewust dat God in ons woont en dat we een taak te vervullen hebben in de tijd dat we hier leven. Wat daarbij van ons wordt verondersteld  hoorden we in de eerste lezing. Ouderen onder ons herinneren zich van de godsdienstles nog de Tien Geboden of Woorden. De eerste drie geven onze verhouding aan met God. Het is er een verhouding van eerbied en aandacht, waarvoor we tijd moeten nemen, bij al onze zorg om ons bestaan. Uitingen van die aandacht in vroeger tijd en nog: de gebedscultuur in gezinnen, de kerkgang in het weekeinde,  het onderbreken op zondag van het dagelijks werk.  Gebod 4 t/m 10 geven aan hoe we ons dienen te verhouden tot onze medemensen: de eerbied van kinderen t.a.v. hun  ouders; het respect voor de persoon van de ander, voor zijn leven en integriteit;  het respecteren van elkaars bezit en van elkaars leefwereld. De Tien Geboden geven de minimumeisen aan.  Later zal in een gesprek van Jezus met een farizeeër naar voren komen wat de vervulling van alles wat de joodse Onderrichting van Mozes en de Profeten leren: heb God lief met heel degene die je bent, je verstand, je hart; en bemin de naaste als jezelf.  M.a.w. aan de liefde is geen bovengrens te stellen.

De beide Schriftlezingen van vandaag worden ons voorgehouden in de tijd van voorbereiding op Pasen. Mogen ze ons aan het denken zetten. Wat de toehoorders van toen betreft blijkt Jezus in hen weinig fiducie te hebben. Ze waren in Hem  gaan geloven, maar dat nam Jezus met een korreltje zout. Er staat: ’Hij wist wat in de mens stak; daarover hoefde men Hem niet in te lichten.  Uit wat later op  Palmzondag en tijdens de Goede Vrijdag met Hem gebeurde blijkt hoezeer zijn scepsis terecht was. Aanvankelijke toejuichingen zijn ook in onze coronatijd nog geen waarborg voor trouw als het moeilijk wordt of als verwachtingen niet worden beantwoord. De lezingen zijn niet bedoeld om ons op ons nummer te zetten, maar om ons te bevrijden van wat ons gevangen houdt. Mogen we ervan leren. Amen    AR

Zondag 28-2-2021:  2e zondag van de 40-dagententijd. (VA  B)  EEN VISIOEN  ALS  BLIK  IN  DE  TOEKOMST.

By Preken

In zijn boek ‘Geduld met God’ schrijft de Tsjechische priester Tomas Halik (theoloog, filosoof en psycholoog): ‘God is Mysterie – dat zou de eerste en laatste zin moeten zijn van alle theologie.  M.a.w. als je over God spreekt of schrijft, bedenk dan altijd dat je binnen treedt in de wolk van het mysterie.

Onze spontane gevoelens van afschuw en verbijstering bij het verhaal Abraham en zijn zoon Isaac zetten ons makkelijk op het verkeerde been. Het gaat er niet om een vader met godsdienstwaanzin, die zelfs bereid is zijn enige kind te doden. Ook niet over een wrede God die mensenoffers vraagt. Het draait veeleer om de vraag van God aan Abraham: ‘Wat beteken ik voor jou?  Durf je Mij te vertrouwen, ook als je denkt dat je je toekomst verliest?  Durf je het aan   je zekerheden los te laten, als Ik je dat vraag?’  Waarschijnlijk heeft Abraham een verkeerde voorstelling van God, want een engel van Jahweh moet hem tegenhouden. Jahweh heeft nl. een afschuw van kinderoffers, zoals we lezen in Leviticus 18,21.  Dat lezen we ook bij de profeten. Het verhaal van Abraham laat zien hoezeer je je kunt vergissen, als je denkt de stem van God te verstaan. Als hij dan zijn oude ideeën over God durft loslaten, kan Jahweh hem een nieuwe belofte doen. Hij wil geen God zijn die de toekomst van mensen afbreekt en blokkeert, maar een God die juist toekomst schenkt. Wij mensen hebben nl. de neiging onze toekomst zelf te plannen en uit te stippelen,  ervoor te werken en ze veilig te stellen. Zoiets als bouwen aan ‘Zwitserlevengevoel’. We hebben een sterke neiging ons te nestelen en te settelen in ideeën, plaatsen en situaties waarin we ons veilig voelen. Daaraan houden we ons vast. Maar deze manier van denken en doen roept de vraag op: Lopen wij dan niet het gevaar dat we onze eigen god maken, een god die doet wat wij verlangen? In onze beste ogenblikken beseffen we dat de levende God de totaal Andere is, dat Hij Mysterie is, verborgen en ondoordringbaar. Als wij ons aan Hem willen toevertrouwen, Hem de vrije hand willen geven in ons leven, vraagt dat van ons, dat we ons met oprechte eerbied openstellen voor zijn mysterievolle Werkelijkheid. Is het juist niet dát wat ook van Abraham gevraagd wordt?  Zijn zoon die zijn toekomst is in Gods handen te leggen. Zijn godsvertrouwen wordt beloond, zegt de auteur van het verhaal.

Wat gebeurt er, als mensen proberen een glimp op te vangen van wie God is? Vraagt ontmoeting van onze kant niet om ont-moeten: d.w.z. We moeten het móeten eraf halen, onze eigen verwachtingen loslaten.  Het verhaal van Marcus begint met de mededeling dat Jezus zich terugtrekt op een eenzame plaats. Hij moet er even tussen uit; even een stapje opzij zetten uit de drukte van het voortdurende beroep dat mensen op Hem doen. Even los van al dat moeten. Ook het wantrouwen en de vijandigheid van Farizeeën en Schriftgeleerden geven Hem het gevoel dat zijn leven bedreigd wordt en zijn optreden niet goed zal aflopen. Hij neemt drie van zijn leerlingen mee om Hem te vergezellen en zij worden getuigen van een bijzondere ontmoeting. Boven op een berg gekomen, zien ze Jezus plotseling in een verblindend wit licht. Hij blijkt in  gezelschap van twee grote leiders uit de Joodse traditie: Mozes die het volk uit Egypte heeft geleid en hen met de Thora een richtlijn voor het leven heeft gegeven. En Elia, die het zich– met gevaar voor zijn leven –  heeft gekeerd tegen de afgoden van zijn dagen en hun vereerders. Jezus is met die twee in gesprek.  Zoekt Hij bij hen steun voor het lijden dat Hij op zich af ziet komen?  Petrus, genietend van dit hemelse tafereel, wil dit moment van gelukzaligheid vasthouden met zijn aanbod van drie tenten, maar een wolk verstoort hun droom. Ook klinkt er een stem die de leerlingen aanspoort te luisteren naar Jezus,  de man naar Gods hart. Even hebben ze hun Meester mogen zien in hemels licht, het licht van Pasen, maar nu moeten ze terug naar de vlakte en de rauwe werkelijkheid van alledag. Jezus verbiedt hen te praten over wat ze hebben meegemaakt, maar onder elkaar zijn ze er toch over bezig. M.n. Zijn woord over ‘opstaan uit de doden´ is voor hen helemaal een raadsel.
Er zijn mensen die in hun leven dingen meemaken die een onvergetelijke indruk achterlaten. Een ernstige ziekte, een ingrijpend verlies of een bijzondere ontmoeting kan een ommekeer in iemands leven te weeg brengen en aanleiding zijn om radicaal van koers te veranderen. Zo kunnen ook heel fijne momenten een diepe en onuitwisbare indruk achterlaten en moed en kracht geven als je in de put zit. Niet alleen op die hoge berg, maar ook in de vlakte, tussen al die gekwelde mensen die bij Jezus hulp zoeken, mogen de apostelen het geheim van hun Heer ontdekken. In wat Jezus voor mensen doet, straalt iets van zijn goddelijke oorsprong en opdracht. Hij nodigt zijn leerlingen uit met Hem naar Jerusalem te gaan. Mogelijk had Jezus de ervaring op de berg nodig om overeind te blijven en zijn leerlingen moed en vertrouwen  te geven bij wat hen te wachten staat.
We mogen stellen:  In deze veertigdagentijd vraagt Jezus ook ons of we ons bij Hem willen aansluiten. Als we ons openstellen voor zijn boodschap en solidair zijn met de mensen die wij ontmoeten, dan zal moeite en kruis ons niet bespaard blijven. Meeleven met elkaar in lief en leed, opkomen voor wie kwetsbaar is of in nood, ijveren voor vrede en recht en een leefbare wereld , dat vraagt veel van ons. Als we er onze ogen niet voor sluiten, zien we hoeveel medemensen worden geplaagd door allerlei onheil: honger en armoede, ziektes en natuurrampen, onderdrukking en geweld. Dagelijks vallen er acceptgiro’s in de bus van mensen in nood. Al kunnen we niet alle aanvragen honoreren, maar sommige wel. En zo verlichten we de nood van een aantal van hen.

Topmomenten, waarop we enthousiast en vol optimisme zijn:  ze zijn in ons leven vaak spaarzaam en van korte duur. We kunnen niet blijvend bivakkeren  op die toppen. Het verhaal van Jezus’ verheerlijking op de berg, wijst vooruit naar het mysterie van zijn verrijzenis, maar zijn weg gaat door lijden en dood heen. Moge ons geloof in dit mysterie en ook de herinnering aan de topervaringen in ons leven moed en kracht geven ons in te zetten en vol te houden, ook in tijden van tegenslag, moedeloosheid en pijn. Jezus’ verheerlijking zal eens ons deel worden. Bidden wij dat dit vertrouwen in ons mag groeien. AMEN

20/21 februari: 1e zondag van de veertigdagentijd 2021

By Preken

Vastenboodschap 2021

 

Broeders en zusters in Christus,

In de 14e eeuw heerste de pest. Als tijdens een uitbraak een schip in Italië wilde afmeren, moest het eerst een tijd voor de kust blijven liggen om zeker te weten dat de bemanning de besmettelijke en dodelijke ziekte niet onder de leden had. Die periode duurde 40 dagen. Daarvan komt het woord quarantaine: ‘quarante giorni’: een tijd van afzondering van veertig dagen was nodig om te weten dat mensen gezond waren.

Quarantaine was er ook voor Noach en zijn familie in de eerste lezing: zij hebben net een zondvloed overleefd. Veertig dagen regende het en dobberde Noach stuurloos rond in de ark. Hij leefde zonder vaste grond onder de voeten. Aardse zekerheden waren verdwenen en het leven werd van buitenaf bedreigd. Noach moest in quarantaine voordat hij weer vaste grond onder de voeten kreeg. Na die veertig dagen van onzekerheid klaarde de lucht weer op en kreeg hij – in het teken van de regenboog – opnieuw verbinding met God.

In het evangelie gaat Jezus ook in quarantaine. Veertig dagen verbleef Hij in de woestijn. Dat verblijf daar was overigens niet zijn eigen keuze: Hij werd er naartoe gedreven. Hij moest wel, er was geen keuze. Over die periode staat geschreven: ‘Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen hem hun diensten.’

Die woorden heeft Marcus daar niet zomaar geschreven. De woestijn confronteert Jezus met twee krachten die in ieder mensenleven voorkomen: krachten die de natuur ons geeft en krachten die we van Gods genade krijgen. De woestijn van het leven brengt de wilde dieren dichtbij. In ieder van ons leven dierlijke krachten: we hebben allemaal natuurlijke driften in ons. We maken immers deel uit van de natuur. Het is de oerdrift om zelf te overleven, om de eigen soort te laten voortbestaan.

Het zijn krachten die in wezen goed zijn. Maar we kunnen ook verleid worden om die oerdriften verkeerd te gebruiken. Ongetemd kunnen ze tot kwaad leiden. Om er een paar te noemen: onze oerkrachten kunnen gemakkelijk ontaarden in hebzucht, egoïsme, heerszucht, machtsmisbruik en geweld. Er zijn allerlei verleidingen tot kwaad die ons heil van binnenuit bedreigen.

Enkele weken nadat we ons verbaasden over de rebellen die in Amerika het Capitool binnendrongen, braken er – als vanuit het niets – ook bij ons rellen uit. In rustig ogende steden en stadjes staken vernielzucht en plundering ineens de kop op.

Er werden vernielingen gepleegd door vooral jonge mensen, die korte tijd hun verstand totaal verloren leken te hebben. Redeloos gedrag, zoals van een wild dier, kan zich meester maken van mensen.

Jezus verbleef bij de wilde dieren: hij liep niet weg voor de krachten die het menszijn in zich draagt en zag ze onder ogen. Maar hij liet zich er niet door meeslepen of verscheuren, zoals bij mensen soms wel gebeurt als ze in hun leven de woestijn ervaren.

In één adem zegt Marcus dan: ‘Er kwamen ook engelen die Hem hun diensten bewezen.’ Ontvankelijk kunnen zijn voor engelen – dat wil zeggen: voor wat van Godswege tot ons komt – hoort net zo goed bij de mens. Meer dan alleen dierlijke wezens zijn we ook geestelijke wezens. Het goede dat we doen, komt minder in de publiciteit dan het kwade. Maar dat wil niet zeggen dat het er niet is. Ook en juist in dit laatste jaar zien we belangeloze daden van medemenselijkheid en nabijheid en ervaren veel mensen midden in de pandemie dat bidden kracht geeft. Het zijn tekenen dat wij ook in onze woestijndagen dichter bij God kunnen komen, dat juist in quarantaine Gods engelen hun diensten bewijzen.

Noach kreeg de opdracht de ark in te gaan, Jezus werd de woestijn in gedreven en ook wij hadden afgelopen jaar niet zo heel veel te kiezen. Wij kregen een zondvloed van maatregelen over ons heen, die ons in een woestijn bracht van gesloten scholen, winkels en restaurants en soms van gedwongen quarantaine na een positieve test. We kwamen in een woestijn met veel alléén-zijn. En we zijn er nog niet uit. Menselijke ontmoeting staat nog steeds op rantsoen en afstand.

Die verlatenheid van de woestijn brengt het menszijn terug naar de essentie. Ze confronteert ons met onszelf, met onze driften, maar ook met onze vrijheid om Gods genade te ontvangen. We mogen nieuw ervaren dat we meer zijn dan alleen mensenkinderen die leven vanuit natuurlijke krachten. We zijn ook Gods kinderen, die Zijn kracht in ons leven mogen ervaren. Menszijn betekent beide zijden accepteren: niet doen alsof we alleen maar van deze aarde zijn en dus voor elke drift door de knieën gaan, maar ons ook openen voor wat Gods genade ons geeft en zo een beetje hemel op aarde brengen.

Noach krijgt na zijn quarantaine de opdracht van God om nieuw leven op aarde te brengen; Jezus gaat in quarantaine en zal van daaruit zijn dienstwerk tot in het eeuwig leven gaan vervullen. Wij beleven onze veertigdagentijd, onze quarantaine: opdat ook wij door de zondvloed in ons leven en door de woestijn van ons bestaan tot het nieuwe leven van Pasen mogen komen.
Een goede, gezegende veertigdagentijd gewenst aan u allen!

Roermond, eerste zondag van de 40-dagentijd 2021.

*Harrie Smeets.
Bisschop van Roermond

Zondag 14-2-2021  6  B  Isolering voorkomen.

By Preken

Melaatsheid was het schrikbeeld van elke Jood in Jezus’ dagen. Die naam werd op elke huidziekte geplakt. Men kende geen onderscheid tussen lepra en andere huidaandoeningen, zoals bijv. psoriasis. Wie op zijn lichaam plekken vertoonde, werd bestempeld als een gevaar voor de samenleving en werd ook nog beschouwd als een zondig mens. Velen redeneerden: zo’n ziekte krijg je niet zomaar; dan zul je wel dingen gedaan hebben die verkeerd zijn in Gods ogen. Erger nog dan de kwaal zelf, was de wet die de melaatse volledig afzonderde van de gemeenschap: de zieke mocht niet meer onder de mensen komen, mocht zelfs zijn eigen kinderen niet meer aanraken. M.a.w. een melaatse was als een levende dode. Want erger dan de ziekte was zijn totale isolement. We weten allen: tegenwoordig is deze kwaal goed te genezen met medicijnen en is isolering niet meer nodig. Helaas moeten wij erkennen, dat iets van de neiging mensen te isoleren ook nog leeft in onze samenleving. Het gaat dan niet om hygiënische voorzichtigheid  en de zorg niet besmet te raken met een virus of bacterie, maar over de zorg ons niet te compromitteren met iemand die in problemen zit. Als bv. een van onze huisgenoten in opspraak raakt, zullen vaak zelfs vrienden uit de buurt blijven en contact vermijden. Je zult bv. maar een zoon hebben die in de gevangenis terecht komt, schuldig of niet. Dan merk je dat buren en kennissen het laten afweten en contact uit de weg gaan. Het loont de moeite om eens voor onszelf na te gaan met wie wij contact vermijden. Wij zullen niet snel bewust iemand isoleren, maar ik vermoed dat ieder van ons mensen in gedachten heeft met wie hij het liefst contact vermijdt. Als iemand ons zegt dat wij discrimineren, dan zullen we zo’n beschuldiging hartgrondig ontkennen. Als we echter bij onszelf nagaan hoe we over bepaalde mensen denken, dan moeten we toegeven dat dit bepaald niet altijd positief is. Ik denk dat niemand van ons vrij is van vooroordelen. Zo hebben wij allen onze opvattingen over een aantal zaken en wie daar anders over denkt, beschouwen we al snel als een tegenstander. Met hem of haar zoeken wij niet spontaan contact. Nou is dat op zich geen ramp, maar het kan een probleem worden als die ander contact zoekt en onze hulp nodig heeft.

De melaatse uit het Evangelie doet in uiterste vertwijfeling een beroep op Jezus. Deze schermt zich niet angstvallig af voor het contact met deze mens en laat zich raken door de nood van deze zieke. Hij overtreedt de wet en neemt het risico hem aan te raken. Door dit gebaar wordt de melaatse niet alleen genezen maar ook verlost uit zijn isolement.

We komen hier zelden een leprapatiënt tegen, maar des te meer mensen die leed hebben of lijden moeten dragen, medemensen die op een of andere manier in nood zijn en behoefte hebben aan een naaste die bereid om te luisteren en zo nodig wil helpen. Hoeveel eenzame  mensen zijn er niet die wachten op verlossing uit hun isolement? Dit Evangelie nodigt uit te bidden om de Geest die Jezus heeft bezield, een geest van openheid, medelijden en moed. Wat ik altijd wat vreemd heb gevonden is Jezus’ ernstige waarschuwing aan de melaatse: ‘Denk erom dat je niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer van Mozes als getuigenis voor de mensen’. Ondanks zijn sterke vertrouwen dat alleen al de wil van Jezus volstaat om hem te genezen, negeert hij Jezus’ opdracht. Hij houdt zich niet aan de opgedragen volgorde van wat hem te doen staat. Hij begint met zijn verhaal te vertellen, terwijl dat in Jezus’ opdracht pas aan het einde komt. Het gevolg voor Jezus is desastreus. Door ongehoorzaam zijn verhaal te vertellen, drijft hij Jezus uit de samenleving. De ongehoorzaamheid van deze gereinigde mens maakt van Jezus als het ware een melaatse. Want het lichamelijke contact met deze mens maakt ook Jezus verdacht. Toch blijven de mensen van alle kanten naar Jezus toe komen, vertelt Marcus. M.a.w.  net als Jezus blijft God altijd werken. Het is duidelijk dat wij  – als we Jezus willen volgen – niet te werk mogen gaan als die melaatse. Wij dienen voor de weg van Jezus te kiezen. Dat betekent: eerst met onze daden verkondigen en pas dan met woorden. Christenen, dat betekent mensen die met Jezus’ Geest zijn gezalfd, zijn wij pas echt als wij onze naasten weldoen, genezen, daden stellen die hen deugd doen en bijdragen aan hun levensgeluk. Pas daarna mogen we het verhaal vertellen van onze genezende ontmoeting met Jezus. Het moet in ons leven eigenlijk gaan zoals bij Franciscus  van Assisi die tot zijn medebroeders zei: ‘Verkondig altijd het Evangelie, desnoods ook met woorden’.  We mogen nl. niet vergeten dat het goede dat  wij doen niet voorkomt uit eigen koker, maar altijd begint met de innerlijke werking van God in ons en van Jezus. Bewogen door medelijden, geïnspireerd door geloof, stellen we eerst onze daden en daarna onze woorden. God, Jezus is altijd eerst, gaat ons altijd vooraf. ‘Geen woorden, maar daden!’ Hoe vaak hebben we dat clublied niet meegezongen? Geve God ons zijn H. Geest om ons dat telkens in herinnering te brengen en de moed en de kracht om er naar te handelen.  AMEN.

zondag 7-2-2021: 5e ZONDAG DOOR HET JAAR B 2021. In Eys viering parochiepatrones H. Agatha

By Preken

Lezingen: Job 7, 1-4.6-7; 1 Korintiërs 9, 16-19.22-23; Marcus 1, 29-39.

Er zullen niet  veel mensen zijn, die de coronapandemie opvatten als een straf van God. Maar ze zijn er nog wel. Wellicht is zelfs hun aantal t.g.v. de pandemie nog toegenomen. Het hangt ervan af hoe men het eigen leven ervaart en tegen God aankijkt. Wél valt regelmatig de vraag te beluisteren of onze manier van leven van vóór de coronatijd wel zo goed was voor de mensheid bv. het milieu, het klimaat, voor de rechtvaardige verdeling van de goederen. We worden ons weliswaar hoe langer hoe meer ervan bewust dat we dat niet aan God kunnen overlaten, maar er zelf aan moeten werken. De aarde is immers aan ons toevertrouwd. Ook de toekomstige generaties moeten kunnen leven. De gedachte van een God die ons door allerlei catastrofen als oorlog, natuurrampen en misoogsten, straft als vergelding voor ons menselijk kwaad, treft men overigens aan op meerdere plaatsen in onze H. Schrift. Vandaag, bijvoorbeeld, in de 1e lezing uit het Boek Job uit ons Oude Testament. Job, een rijk en vroom man, is alles kwijt geraakt: zijn talrijke bezit, zijn kinderen, zijn familie, zijn vee en zijn knechten. Degenen, die doorgaan voor drie vrienden, vertegenwoordigen de opvatting van ‘de straffende God’: ‘Jij, Job,  zult wel zonden bedreven hebben, die wij niet kennen. Je moet daarmee maar voor de dag komen’. Job verzet zich tegen die gedachte. Hij klaagt tegen God over wat hem overkomen is en over het algemeen, dat mensen moeten lijden. Hij voelt dat aan als volslagen onrechtvaardig. Hij weigert zich bij de visie van zijn drie vrienden neer te leggen. En wat gebeurt? God heeft waardering voor Job en prijst hem om zijn eerlijk verzet. Hij staat niet achter de mening van de drie zogenaamde vrienden.  Op het einde van het boek erkent Job nederig, dat hij er niets van snapt. Waarom  moet een mens lijden, onverklaarbaar lijden? Waarom hoort het tot de voorwaarden van zijn bestaan dat hem rampen kunnen overkomen? Hij kan Gods plannen niet doorgronden. Hij erkent dat, maar dat is voor hem toch geen reden zijn geloof in God op te zeggen. Hij vertrouwt zich aan God toe. Hij komt goed uit de crisis en wordt in ere hersteld. Job lijkt een beetje op ons die ook niet snappen waarom de mensheid de huidige pandemie overkomt en daaronder moeten lijden.
Kijken we nu naar het Evangelie dan zien we, dat Jezus de mensen nabij is in het negatieve dat hen overkomt. Hij is ons menselijk levenslot komen delen, zoals ons dat overkomt. Hij helpt zijn medemensen vanuit Gods kracht die in Hem leeft. Hij geneest zieken, verlost mensen van hun kwalen en bezetenheid. Het Godsrijk is in hem aangebroken. Met zijn eerste leerlingen gaat hij naar de schoonmoeder van Petrus, die last heeft van koorts, pakt haar bij de hand en doet haar opstaan. Dat Jezus zijn eerste leerlingen meeneemt lijkt een vingerwijzing voor al zijn leerlingen. Christenen nemen tot op heden, ieder generatie weer op een eigen manier, deel aan Jezus’ werkzaamheid. Hem navolgen vraagt zowel uitkomen voor hun geloof, maar ook daadkracht in het zorgen voor elkaar; in onze situatie gehoor gevend aan de maatregelen in coronatijd, hoezeer mensenwerk zij ook zijn.
Wat verder opvalt is, dat Jezus een biddende mens is. Hij koestert de band, die Hij heeft met God. Hij noemt Hem zíjn maar ook ónze Vader. Hij is de bron van zijn werkzaamheid die ten goede komt aan allen die Hij ontmoet en niet alleen aan hen die Hem voor zichzelf willen houden  Hij trekt rond door heel de streek. Wat valt er vandaag te leren? Dat we niet te gauw moeten denken, dat wat een mens aan moeilijks overkomt een straf van God is. Jezus Christus is ons menselijk levenslot komen delen en is daarin mensen genezend en bevrijdend nabij geweest. Het is een manier van leven die ook past bij ons, die in Hem geloven en zijn leerlingen zijn. Ook wij kunnen moed putten uit onze band met God tot wie wij bidden als onze Vader. In de H. Agatha vereren we een gelovige vrouw die in haar tijd in haar manier van leven haar geloof in Jezus in praktijk heeft gebracht.
Pastoor A. Reijnen.