Oud-deken Clerx overleden.

By | Overlijdensberichten

Oud-deken Clerx van Gulpen is in Maastricht op 77-jarige leeftijd overleden. Hij was al geruime tijd ziek.

Clerx was tien jaar pastoor-deken in Gulpen en pastoor van Wijlre. Hij volgde in Gulpen de omstreden pastoor-deken Joep Haffmans op, die was afgetreden nadat hij was beschuldigd van fraude en seksuele contacten.
De grootste verdienste van deken Clerx was dat hij het vertrouwen van de parochianen na die woelige periode terugwon. „Door de affaire-Haffmans hadden veel mensen de kerk de rug toegekeerd”, zegt kerkmeester Ellen Jongen. „Deken Clerx zorgde ervoor dat zij zich weer thuis voelden in onze kerk. Hij was aimabel en rustig. Gewoon een lieve, aardige man.”
In 2016 nam Clerx afscheid van zijn parochies. Hij leed aan dementie, werd vergeetachtig en begon fouten te maken. Na zijn vertrek uit Gulpen woonde hij enkele jaren bij zijn broer in Neerbeek. Een paar maanden geleden werd hij opgenomen in een verpleeghuis. Daarna ging hij snel achteruit.
Na zijn priesterwijding in 1967 was Clerx kapelaan in Maastricht (Pottenberg) en Heerlen (Heksenberg). Daarna werd hij pastoor in Heerlerheide, Simpelveld en Ubachsberg.

De uitvaartdienst vindt zaterdag ( 16 november a.s.) om 14.00 uur plaats in de kerk van Simpelveld. Aansluitend wordt hij in stilte gecremeerd.

zondag 10 november 2019: Hij is geen God van doden maar van levenden

By | Preken

Als de naam Mozes wordt genoemd, herinneren we ons het verhaal van het mandje tussen het riet aan de oever van de Nijl. Zijn moeder wilde haar kind redden uit de handen van de moordende soldaten van farao, maar de dochter van farao vindt de huilende baby en adopteert hem als haar eigen kind. Als kleuter naar het paleis gebracht, wordt hij opgevoed aan het Egyptische hof. Als hij – eenmaal volwassen geworden –  ziet hoe zijn volksgenoten worden mishandeld door Egyptische slavendrijvers, wordt hij zo kwaad dat hij een van hen vermoordt. Dat betekent het einde van zijn verblijf aan het hof. Hij vlucht de woestijn in en wordt gastvrij opgenomen in het huis van Jetro, de priester van Midjan. Mozes gaat zorgen voor de kuddes van Jetro en zo trekt hij vaak diep de woestijn in op zoek  naar voedsel voor zijn dieren. U begrijpt, als je zo loopt te dwalen in een omgeving waar de stilte bijna hoorbaar is, dan gaat er heel wat door je hoofd. Wat Mozes in de afgelopen jaren heeft meegemaakt, komt hem weer voor de geest. Hij voelt zich waarschijnlijk schuldig. Zelf is hij  ontkomen aan de wraak van farao, maar zijn volkgenoten gaan nog steeds gebukt onder de slavernij. Hen kan hij niet vergeten en voelt zijn verblijf bij Jetro waarschijnlijk als een vlucht voor zijn verantwoordelijkheid. In de stilte van de woestijn krijgt hij een heel bijzondere ervaring. Op gegeven moment wordt zijn aandacht getrokken door een doornstruik die in lichterlaaie staat en toch niet door het vuur wordt verteerd. Hij hoort een stem in zijn hart die hem opdraagt naar farao te gaan en zijn volk te bevrijden. Vragend naar de naam van de Stem die hij beluistert, krijgt hij te horen:  ‘ Ik ben zoals Ik ben. Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jacob’, de God die jullie voorouders heeft geleid. Mozes ziet wel vlammen, maar geen herkenbare gestalte. Wie van ons kan een boeiender en treffender beeld bedenken voor het Mysterie van de onuitsprekelijke God, de Schepper van al wat leeft?  Ook het verbod in het O.T. om beelden van God te maken, getuigt van diepe religieuze wijsheid.
Als de Sadduceeën Jezus voor schut willen zetten met zijn geloof in een leven dat verder gaat dan de grenzen van de dood, dan herinnert Hij hen aan die ervaring van Mozes aan wie God zich bekend maakt als de God van Abraham, Isaak en Jacob. ‘Hij is geen God van doden, maar van levenden’, zegt Jezus. De vraag waarmee de Sadduceeën bij Jezus komen laat zien, dat zij het geloof in een leven na onze dood in het belachelijke willen trekken. Voor hun is dat iets onmogelijks. Ook wij moeten erkennen dat de dood ons plaatst voor een groot Mysterie. Niemand van ons kan zich een voorstelling vormen van een leven dat verder reikt dan dit aardse bestaan. Wij zien heel goed in dat ons bestaan hier eindig is en dat al wat leeft op den duur mankementen gaat vertonen en verslijt. Maar als het gaat om mensen van wie we houden, merken we ook dat we aan hen blijven denken en dat de gevoelens van liefde en verbondenheid blijven bestaan over de grenzen van de dood heen. Het feit dat wij stervelingen ons geen voorstelling kunnen vormen van een leven dat verder reikt dan onze lichamelijke dood, betekent nog niet dat het niet bestaat en dat geloven in eeuwig leven onzin is. Ieder van ons mensen kent die hij nooit zal vergeten, ook al zijn ze reeds lang geleden gestorven. De herinnering aan hen die ons zo lief en dierbaar zijn geweest, dragen wij in ons hart mee zolang als we leven. Als wij – sterfelijke mensen – dat al zo ervaren, dan kun je je afvragen: Hoe zou  God die ons uit liefde geschapen heeft en in leven houdt, hoe zou de Eeuwige ons bij onze dood plotseling kunnen vergeten als een blad dat de boom valt en vergaat? Hoe zou onze naam kunnen verdwijnen uit zijn herinnering, alsof we nooit hadden bestaan? Wie kan zich dit voorstellen? Ik in ieder geval niet.
Als mensen die ons lief zijn ons ontvallen, dan hebben we daar veel verdriet van. We voelen het gemis pijnlijk en het maakt ons misschien boos. We vragen ons af: wat heeft dat sterven voor zin en waarom nu al? God  wordt  voor ons een levensgroot vraagteken. We voelen ons dan vaak heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. We kennen momenten van vertrouwen en van diepe verlatenheid en boosheid misschien. Jezus wuift deze ervaringen niet weg, maar nodigt ons uit om ons tot God te keren met al die gevoelens, gedachten en vragen die er leven in ons hart.  De 1e lezing verhaalt ons dat het vertrouwen van die 7 zonen op eeuwig leven zó sterk is, dat ze zelfs de meest wrede martelingen doorstaan. Ze verbazen de koning en zijn gevolg  door hun geestkracht.  Heeft het vertrouwen in een leven dat verder reikt dan de grens van de dood niet alles te maken met ons beeld van God, Wie God is. God als de Barmhartige, de Liefdevolle die alle mensen wil omsluiten en niet uitsluiten. Dat is het beeld van de God waarmee Jezus is opgegroeid, de God van Mozes en de Profeten, de God van zijn ouders.  Als dat geloof ons visitekaartje is als christenen, oprecht geloof in een leven na de dood, hechten we dan ook niet meer waarde aan het leven vóór de dood? Gaan we dan niet bewuster en zorgvuldiger om met ons dagelijks leven nu? Met meer elan, meer hoop, geloof en liefde? We worden uitgenodigd erom te bidden. AMEN.

Zondag 3 november 2019: Alleheiligen/Allerzielen.

By | Preken

ALLERHEILIGEN 2019

De  vieringen van Allerheiligen en Allerzielen spreken in welke vorm dan ook, veel mensen nog altijd aan. Misschien wel omdat die herdenkingen niet alleen gaan over degen die ons zijn voorgegaan maar ook over onszelf. Dat we er zijn hebben we aan onze voorouders te danken. Mensen die ons zijn voorgegaan hebben hun idealen van een goede en rechtvaardige wereld aan ons overgedragen. Heiligen zij  voor ons een voorbeeld. Onze herinneringen spelen een rol als we gedenken, die ons in leven en dood zij voorgegaan.  Ze hebben het leven voltooid waarmee wíj nog bezig zijn.
Hebben we het over Allerheiligen dan mogen we bij onze eerbied niet vergeten, dat ook zíj ‘gewone’ mensen zijn geweest, zoals wij ‘gewone’ mensen zijn. Ze werden geboren in hun tijd en hun eigen milieu. Ze hadden hun eigen aanleg, hun mogelijkheden en beperkingen; ze werden opgevoed en ontwikkelden zich. Ze hadden hun geluk en verdriet, hun verwachting en hun teleurstelling, hun slagen en tekortschieten. Maar het is hun gelukt om in hún omstandigheden en met hún mogelijkheden waardevolle mensen te zijn Ze zijn erkend en gewaardeerd door hun medemensen, tot voorbeeld genomen, tot beschermheilige benoemd en te hulp geroepen. Een aantal  beelden van heiligen en afbeeldingen staan in onze kerken. (In Eys Maria en Jozef, Agatha, Sebastiaan, Antonius, Barbara, Theresia en Gerardus en Anna).
Het is alsof ze tegen ons zeggen: ‘houdt goede moed, ‘wij hebben onze bestemming bereikt. Ook voor jullie is het mogelijk om, bij alles wat op je afkomt in het leven, een goede, liefdevolle en waardevolle mens te zijn, van positieve betekenis voor degenen met wie je leeft’.  ‘Dat hetgeen de moeite waard is ook  moeite kost hoort bij het leven.   In het Evangelie van Allerheiligen, een gedeelte van de Bergrede van Jezus bij Mattheüs, vinden we een aantal ‘zaligsprekingen’, die richtinggevend zijn voor christenen, door de doop in God geheiligd;  richtinggevend ook voor de praktijk van leven van de verklaarde heiligen.
Ze waren ‘arm van geest, hadden geen pretenties en stonden niet op tegen God; ze hadden verdriet om wat er allemaal mis is in onze wereld en hunkerden naar gerechtigheid voor iedereen; ze waren zachtmoedig en barmhartig. Ze waren zuiver in hun bedoelingen en brachten vrede in hun omgeving. In tijden van vervolging hielden ze vol, vooral ook als dat was omwille van hun geloof in Jezus Christus.
De auteur van het Boek van de Openbaring, het laatste boek in onze Bijbel, ziet een grote mensenmenigte voor Gods hemelse troon. Het zijn degenen, die hun aardse leven hebben doorstaan en volbracht. Ze zijn door hun positieve manier van leven op hun voorhoofd gestempeld zijn met het zegel van de levende God. Ook dat is een manier om uit te drukken, dat het bij alle wederwaardigheden mogelijk is als een mens van God, liefdevol en waardevol te leven en opgenomen te zijn in Gods omgeving.
Allerheiligen is een feest ook bedoeld om ons te bemoedigen op onze levensweg met alles wat we daarop kunnen tegenkomen. Heiligverklaarden, erkend door het gelovige volk en de kerkelijke overheid, zeggen tegen ons: ‘met behulp van Gods genade hebben wij in liefde geleefd. Houdt goede moed. Ook jullie zijn met Gods hulp daartoe in staat en uiteindelijk  je bestemming bereiken’.  Amen. AR

ALLERZIELEN 2019

Wij zijn hier vanmiddag in onze parochiekerk bij elkaar gekomen om te gedenken die ons  zijn voorgegaan: familieleden en mensen uit onze omgeving. De dood blijft een ingrijpend gebeuren, dat een definitief einde maakt aan ons aardse leven.  Onze overledenen hebben deel uitgemaakt van ons leven. Het Boek Prediker omschrijft wat bij ons aards bestaan hoort. We gebruiken dat nu als 1e LEZING ((door lector):

er is een tijd van leven voortbrengen en van sterven,
een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen,
een tijd om te huilen en een tijd om te lachen,
een tijd om te rouwen en een tijd om te blij te zijn
een tijd om te ontvlammen en een tijd om te verkillen,
een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken,
een tijd om lief te hebben en een tijd van afkeer,
een tijd van oorlog en een tijd van vrede. (Prediker hst 3)

Onze dierbare overledenen hebben dit alles ervaren en beleefd, zoals wij nu in onze tijd. Zij maakten op een of andere manier deel uit van ons eigen leven. Ze stonden aan de oorsprong ervan, maakten deel uit van ons gezin, van onze familie, vriendenkring of  ons dorpse samenleven.  Maar dan is er ‘dood’, soms midden in het leven;  de verstarring, het zwijgen, en de stilte van de dood. Die stilte is  zo anders is dan wanneer wij, levenden, stil zijn. De dood plaatst ons voor een groot geheim.   Wij zoeken te begrijpen, verlangen de zin van leven en dood in te kunnen zien. In  bijbel en cultuur vinden we teksten en tekens, die ons zeggen dat, dat definitieve dood niet het laatste woord heeft. De dood raakt ons ten diepste. Wij weten van onze eigen eindigheid.  De dood is het definitieve einde van ons aardse bestaan.  Leven we voort? Onze ouders leven voort in ons, hun kinderen. Zij en andere overledenen leven voort in onze herinnering. Wij, nu levend, bouwen voort op wat generaties vóór ons hebben nagelaten. Voor menig volk in de oudheid leefden de geesten of zielen van de overledenen voort in de onderwereld.
Ook in het Evangelie vinden we aanwijzingen. We leren daaruit dat alles wat we doen uit liefde, barmhartigheid, vergevingsgezindheid al eeuwigheidswaarde heeft. Pasen leert ons, dat God opgewassen is tegen de dood. Nieuw leven heeft met Pasen het laatste woord. De opwekking door God van Jezus heeft zijn gevolgen voor die in Hem geloven. De apostel Paulus zegt daarover in zijn brief aan de christenen van Rome het volgende:
‘Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood?
Wij zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om,zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. Als wij delen in zijn dood zullen we ook delen in zijn opstanding.

De tekst geeft ons een eigen en hoopvolle  kijk op leven en sterven van onszelf maar ook van onze dierbaren. Wellicht met vallen en opstaan, in vreugde en verdriet, in hoop en twijfel, soms  onmachtig, soms teleurgesteld, soms opgetogen hebben zij hun leven geleid. Dat alles is niet vergeefs geweest, zoals uit de woorden van zojuist valt op te maken. Hun leven in geloof, al het goede, dat zij op onze wereld tot stand gebracht hebben, hun daden van goedheid en liefde voor hun familie en andere medemensen, heeft waarde tot over de grens van hun dood heen. Laten we vandaag ons onze overledenen gedenken, maar hen ook vragen ons te helpen dat ook wij goed terecht komen. AR

Zondag 27 oktober: Jezelf etaleren of rustig in de spiegel kijken?

By | Preken

Velen van ons kijken bij het openslaan van de krant het eerst naar de cartoons. De parabel die Jezus vandaag vertelt kun je beschouwen als zo’n cartoon, maar dan met woorden. Wat ons daarin prikkelt is de overdrijving. We zien dat in de manier waarop Jezus beide mensen tekent. Vooraan in de tempel staat een man die met opgeheven hoofd tot God spreekt. Hij dankt God dat hij niet zo is als al die mensen die kwaad doen en niet leven volgens de Thora, de Joodse Wet. De ander staat helemaal achterin, dichtbij de uitgang, alsof hij denkt: ‘Mag ik hier wel komen?’ Hij durft zijn ogen zelfs niet opslaan, klopt zich op de borst en bidt: ‘Heer, wees mij zondaar genadig!’ Door de karikatuur die Jezus schildert geeft Hij ons argumenten om te zeggen: ‘Ja, maar daar ken ik me niet in terug. Zo ben ik niet!’ En voordat we in de spiegel van het Evangelie hebben gekeken, lopen we verder en denken: ‘Zo’n  verwaande opschepper als die farizeeër ben ik niet! Al zijn we niet brandschoon, maar zo opscheppen tegenover God, dat past niet bij mij. Dan voel ik me toch meer verwant met die tollenaar. Het is weliswaar een collaborateur, een bedrieger, maar liever dat dan me zo te etaleren en op anderen neer te kijken’.  Mensen die vaak en lang  in een spiegel kijken noemen we ijdeltuiten, maar zonder dat hulpmiddel zouden we er vaak onverzorgd bijlopen. Jezus’ parabel is een heldere spiegel. Daarin zien we snel: die farizeeër is een verwaande kwast. Daarom voelen we misschien meer sympathie voor die tollenaar met zijn twijfelachtige reputatie. In plaats van zichzelf te rechtvaardigen en vrij te pleiten, erkent die man zijn zwakheid en falen. Met spijt in het hart ziet hij zijn levenswijze onder ogen en vraagt God om ontferming. Bij een vluchtige blik in de spiegel herkennen wij ons in geen van beiden. We zijn niet zo verwaand dat we menen dat er op ons niets aan te merken valt. Tegelijk denken of zeggen we menigmaal: ‘Ben ik blij dat ik niet ben als die en die..’ Als we echter in alle rust in de spiegel van de Bijbel kijken, herkennen we ons in alle twee. Enerzijds herkennen we de valkuil van de farizeeër die God dankt dat hij niet is als de mensen die het niet zo nauw nemen met de Wet. Anderzijds zijn we ook geen notoire bedriegers als de tollenaars. Maar misschien merken we in de omgang met medemensen wel  de neiging om ons te etaleren; dat we in contact met anderen vaak praten over wat we doen of gedaan hebben en te weinig openstaan om de ander te leren kennen. Voor we het in de gaten hebben, etaleren we onszelf.
Al zullen we dat in ons bidden niet zo gauw doen, wel is herkenbaar dat we bij ons gebed meer zelf aan het woord zijn, dan dat we luisteren naar onze gedachten of naar wat een bepaalde tekst ons te zeggen heeft. Misschien merken we ook , dat anderen niet lang willen luisteren naar verhalen over onszelf.
In de parabel blijkt dat de tollenaar zich terdege bewust is van zijn oneerlijke   levenswandel. Toch durft  hij God aan te spreken en te bidden om genade. Hij laat God niet los in het vertrouwen dat God hém niet zal loslaten. En daar komt het in ons geloven toch op aan:  vertrouwen dat God van ons houdt, niet omdat we zoveel verdiensten hebben, maar omdat wij het zijn.  Zoals het bij echte liefde tussen mensen niet gaat om het uiterlijk van de ander of zijn prestaties en noch minder om wat hij bezit, maar om wie de ander is, om zijn/haar persoon.  Van God durven we geloven dat Hij van ons houdt om wie we zijn en omdat wij het zijn.  De farizeeër blijft helaas gevangen in het ideaalbeeld dat hij zichzelf oplegt. Hij staat wel voor in de tempel met opgeheven hoofd, maar in feite is hij slaaf van de wet. Hij voelt de regels en voorschriften van de Thora als een druk en niet als een kompas naar een leven dat vrede en voldoening geeft. De tollenaar gaat weliswaar zijn eigen weg. Toch wordt hij door God bemind, zegt Jezus. Hij beseft dat hij niet in staat is op eigen kracht zich te verbeteren en te redden, maar dat hij Gods hulp daarbij nodig heeft. Zo hebben ook wij God nodig, alsmede de spiegel van het Evangelie om naar onszelf te kijken met de ogen van Jezus.  Geve  de H. Geest ons de moed om regelmatig in deze spiegel te kijken. AMEN.

Zondag 20-10-2019: 29ste zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Exodus 17, 8-13; 2 Timotheüs 3, 14-4,2; Lucas 18, 1-8.

Deze maand oktober is het ‘missiemaand’, dit weekeinde vieren we Missieweekeinde (missiezondag). Dachten we vroeger vooral aan de missie van katholiek Nederland en zijn missionarissen over heel de wereld; vandaag de dag mogen we ook denken aan onze ‘missie naar binnen’, ónze missie in eigen land’. Pas vanuit de eigen geloofsovertuiging en proces van verdieping van ons geloof, kunnen we het geloof doorgeven hier en elders. Bovendien wijzen het groot aantal priesters uit voormalige missielanden erop, dat de beweging momenteel omgekeerd is: zij komen ons helpen en oproepen ons geloof te bewaren en te beleven.

Onze missie naar binnen, in eigen land, in eigen omgeving  krijgt nog bijzonder de aandacht  door de  berichten in de media m.b.t. de bezuinigingsoperatie bij ons bisdom. Men heeft dit jaar een tekort van 1.3 miljoen. Drie diensten worden opgeheven, een aantal mensen, soms jarenlang in dienst van het bisdom worden ontslagen. De organisatie van ons bisdom en  fijnmazig netwerk van parochies, was tot voor kort gebaseerd op de ‘volkskerk’, waaraan ieder meedeed en ook financieel naar vermogen deelnam. Het moet bisschop Smeets en zijn staf niet gemakkelijk gevallen zijn een dergelijke beslissing te  nemen. Het gaat immers niet alleen om geld, maar ook om mensen, om pastorale dienstverlening van de kant van het bisdom op het gebied van ‘lekenvorming’, de ‘relatie kerk en samenleving’ en de ‘catechese’. Klaarblijkelijk leverden ze te weinig pastoraal en financieel rendement om ze te kunnen handhaven. Het betekent ook, dat aandacht voor geloofsverdieping,  vorming van parochianen en dienstbaarheid vanuit de kerk aan de samenleving op het bordje van dekenaat en parochies komt te liggen. De vraag daarbij is of die voldoende toegerust zijn om dit aan te kunnen.

Wat de financiën betreft. Dankbaar mogen constateren dat we financieel dank zij het wijs beleid van kerkbesturen en daarin de penningmeesters van cluster Morgenster, onze parochies nog  redelijk overeind kunnen houden. Toch lopen ook bij ons de inkomsten terug. Een aanzienlijke financiële hulp komt van de staat, omdat onze kerken monumenten zijn. Maar dan nog moeten we bij restauraties en onderhoud toch nog altijd 30 % uit eigen middelen betalen.

Wat de pastoraal betreft. Pastoraal gezien zullen we ons dekenaal en parochieel moeten buigen over de vraag, hoe we vorming, geloofsverdieping en dienstbaarheid aan de medemens nog meer kunnen gaan behartigen?    ‘Nog meer’…., want in de loop van de jaren is al het nodige door de kerkbesturen in gang gezet, soms ook weer verdwenen bij afnemende belangstelling. Maar bij wat er nog altijd is, denk ik aan de vorming die degenen die de H. Schrift lezen tijdens onze vieringen aan elkaar opdoen. Momenteel lezen we samen de 1e Brief van Paulus aan de inwoners van Korinte. Ik denk aan ons Zorgoverleg van onze cluster Morgenster waarin de aandacht voor zieken, rouwenden, alleenstaanden, ouderen en ouders centraal staan. Regelmatig zijn er bijeen komsten in de pastorie waardoor deze een ’parochiehuis’ genoemd mag worden. Ik denk aan ons Liturgisch Beraad  met zijn zorg voor het op elkaar afstemmen van de vieringen in cluster Morgenster; en de permanente vraag hoe we de vieringen zo levendig mogelijk kunnen maken. Ik denk aan de Pastoraatsgroep uit onze drie parochies die zich momenteel bezig houdt met ons beleidsplan  voor de komende jaren. Ik denk aan de volwassenencatechese met bezinning aan de hand van films/video’s over godsdienstige onderwerpen; ik denk aan de oudersgesprekken over thema’s van deze tijd. Er zouden meer deelnemers mogen zijn, maar het –misschien nog te onbekende- aanbod is er.

Tot slot: de Schriftlezingen van vandaag  wijzen erop, enerzijds, dat juist als bij Timotheüs onze opdracht ons als gelovige gemeenschap is: ons geloof te laten ‘zien’ in woord en daad. We mogen erop vertrouwen dat God met ons is. Maar de slotzin vandaag uit het Evangelie geeft te denken: ‘Zal de mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden? Dat het antwoord ‘ja’ mag zijn, daartoe dient onze missie naar buiten en naar binnen. Amen. AR

Meneer pastoor schrijft ………………………

By | beschouwingen

DE ‘HEMELSE’ MENS.

Wat moeten we daarmee? In een vorig artikel in onze parochiebladen en –sites werd toch duidelijk gezegd, dat we van déze aarde zijn; dat we in déze tijd leven en in déze omstandigheden. Wat moeten we dan met de uitdrukking van bijvoorbeeld de brief aan de christenen van het, tegenwoordig Turkse, Kolosse dat we ‘hemelse mensen’ zouden moeten/kunnen zijn? Willen we dat wel? Is het niet in strijd met wat eerder werd gezegd? Haalt het ons niet uit onze concentratie ons geluk híer te zoeken en verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van déze aarde op ons te nemen? De opmerking van Paulus’ brief betekent een relativering van het hier-en-nu- alles-uit- de-kast-moeten-halen om gelukkig te zijn. Maar naast de ervaringen van geluk en ons thuis voelen in het leven hebben we ook ervaringen van pech, van leed, van twijfel, ban beperktheid, van eindigheid. Die veroorzaken twijfel, onzekerheid, leed, soms wanhoop. Als je dan alle kaarten op ‘het aardse’ hebt gezet lijkt het leven je uit de vingers te glippen. De verzuchting ‘mijn God’ kom dan spontaan naar voren uit de grond van ons bestaan.  De Goede Tijding (Evangelie) van Jezus leert ons, dat naast het gevoel ‘God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten’ er een ‘gebed, in ons kan ontstaan, ‘niet mijn wil, maar uw wil geschiede’. Het is een zich toevertrouwen aan een Werkelijkheid die groter is dan wij zelf en ons  ten goede leidt bij alles wat ons overkomt. Degene die dat doet is ‘een hemelse mens’. Ik denk dat veel gelovige mensen zo zijn gestorven. In dat vertrouwen vieren we ook Allerheiligen en Allerzielen van onze dierbaren, die ons zijn voorgegaan in leven en dood.  We vertrouwen erop dat ze hun bestemming hebben  bereikt en goed af zijn. A. Reijnen.

IK WAAG HET EROP. (Bericht voor jongeren en ouderen)

Ik waag het erop aan jongeren de suggestie te doen zich voor de toekomst in te zetten voor de waarden van het Evangelie. Ik zie de lezers van dit stukje al wat meewarig glimlachen. Waar komt onze pastoor nu mee aan? Dat is toch helemaal niet meer van deze tijd. Dat moge zo zijn, maar, terwijl ik hoop dat u doorleest, durf ik het aan om te zeggen, dat als iedereen doet wat in de geest van de tijd past, dat het dan een knotssaaie boel wordt: iedereen denkt en doet dan hetzelfde; we menen vrij te zijn, maar zitten gevangen in zogenoemde ‘geest van de tijd’. Gelukkig zijn er altijd mensen, die anders denken en willen en daarin hún vrijheid beleven. Zo, naar ik hoop, degenen, die -enigszins tegendraads t.a.v. de opvattingen van deze tijd- zich verdiepen in de aanwijzingen van het Evangelie. Als het goed is vinden ze daar een gids voor een zinvol leven rond kernwaarden als erkenning van een liefdevolle God en liefde voor de medemens. En geloof me, het is de moeite waard om daar je leven voor in te zetten. Ik spreek uit ondervinding, ook in deze tijd. Een paar mogelijkheden daartoe zijn de kerkelijke ambten van priester, diaken en pastoraal werkende. Je kunt zelfs de steun van een gemeenschapsleven zoeken in den kloosterorde. Dat vraagt weliswaar de nodige studie en voorbereiding, maar de meeste jongeren volgen ‘so wie so’ al een vervolgopleiding. Er valt in elk geval over de geschiktheid ervan te praten. Jullie pastoor kan je daaromtrent meer inlichtingen verschaffen.  A. Reijnen pastoor

MOOI OM TE ERVAREN.

In het Zorgoverleg van onze cluster Morgenster hadden we het tijdens onze vergadering van 14 oktober  over ‘eenzaamheid’, een onderwerp dat momenteel veel belangstelling krijgt. Het is immers een verschijnsel, dat zich hoe langer hoe meer voordoet in onze ingewikkelde samenleving. Zoals u kunt begrijpen heeft een Zorgoverleg daar ‘zorg’ over. Maar dan is het toch prachtig en ook ontroerend als er voorbeelden worden aangehaald van mensen in onze dorpen, die zich klaarblijkelijk innerlijk geroepen voelen om zich het lot aan te trekken van mensen die zorg nodig hebben: zieken, gehandicapten en eenzamen. Zulke ‘zorgverleners’ doen dat onopvallend, bescheiden, onbaatzuchtig maar niettemin effectief. Ik denk, dat het ons tot dankbaarheid mag stemmen dat er in een tijd van de op- zichzelf- gerichte mens, nog (zoveel) mensen zijn die zich ontfermen over degenen, die zorg en aandacht nodig hebben. De mentaliteit die daarvoor nodig is kunnen we proberen zo goed mogelijk te bevorderen bij jong en oud. Overigens blijft het een punt van zorg hoe degenen te benaderen die hun  huis niet (meer) uitkomen en zich afsluiten voor (alle) hulp. Ze lopen gevaar zich op te sluiten in eenzaamheid. Dat is erg jammer. A. Reijnen, pastoor

zondag 13 oktober 2019: Gezond leven is dankbaar leven.

By | Preken

Het is jammer dat de 1e lezing ons niet het hele verhaal laat horen over de genezing van de Syrische legercommandant. In het voorafgaande wordt verteld van een Joods meisje, dat ze hebben geroofd in Israël. Ze is werkzaam bij de vrouw van Naäman en heeft haar meesteres verteld van de profeet Elisa die mensen van melaatsheid kan afhelpen. Naäman gaat met dit verhaal naar de koning en deze stuurt hem met een vracht geschenken naar de koning van Israël. Als de profeet Elisa verneemt dat de koning van Israël zijn kleren heeft gescheurd v.w. het verzoek van Naäman hem te genezen,  dan vraagt hij  om hem door te sturen naar hem. Als de hoge gast bij zijn huis arriveert, komt Elisa niet naar buiten om hem te begroeten, maar stuurt iemand naar hem toe met de opdracht zich 7 x te wassen in de Jordaan. Diep teleurgesteld wil Naäman huiswaarts keren, maar zijn dienaren zeggen: ‘Meester, stel dat de profeet een moeilijke opdracht zou hebben gegeven, dan zou U het toch ook hebben gedaan? Waarom niet, nu U zich alleen maar hoeft te baden in de Jordaan? Naäman laat zich overreden en het resultaat maakt hem diep verwonderd en intens dankbaar. Hij begrijpt dat de God die Elisa vereert de ware God is. Een God die niet gebonden is aan een bepaalde landstreek en enkel Joden of Arabieren helpt, maar die er is voor mensen van alle rassen en talen. Voor Naäman is dit ondenkbaar en hij weet niet hoe hij uiting moet geven aan zijn dankbaarheid. Hij wil voortaan alleen God van Israël vereren.
Ook het Evangelie verhaalt over tien lepralijders. Tegenwoordig is deze ziekte  met medicijnen te genezen, maar in Jezus’ dagen werden zulke mensen uit de gemeenschap gebannen v.w. de angst voor besmetting. Zulke mensen leidden een geïsoleerd bestaan en moesten zichzelf maar zien te redden. Ze werden door iedereen gemeden. Jezus trekt zich hun lot aan. Hij raakt hen weliswaar niet aan, maar stuurt hen naar de priesters om vast te stellen dat ze genezen zijn. Van die groep is er slechts één die naar Jezus terugkeert om te bedanken. De vraag van Jezus of ze niet alle tien genezen zijn is geen teken dat Hij zich miskend voelt, maar het gaat Hem om meer dan de lichamelijke genezing. Want het hart van een mens is niet enkel een pomp, het is ook de ‘woonkamer’ van onze emoties en hartstochten. Als je last hebt van klagerigheid, driftbuien of hebzucht, ga je niet naar de huisarts. Als je eenzaam bent, brutaal of op anderen neerkijkt, kan de cardioloog je niet helpen. Toch zijn het ernstige kwalen, die ook nog ‘besmettelijk’ zijn. Je steekt makkelijk anderen aan met je asociale gedrag of je drammerige gezeur. Zo voelen wij ons heel beroerd , als we rondlopen met gevoelens van schuld of wraak of rouwen om het verlies van een dierbare mens. Dan kunnen mensen wel zeggen: ‘Het zit tussen de oren’. Het mag zitten waar het zit, maar het doet wel pijn en je hebt er wel last van en je wilt er van af. In het Evangelie lezen we dat Jezus de smeekbede van die 10  melaatsen hoort. Hij is met hen begaan, want Hij wil dat ze bevrijd worden uit hun ellendige isolement en gezond  in de gemeenschap kunnen terugkeren. Dat gebeurt ook, want oprechte aandacht geneest talloze aandoeningen. Maar er is er maar één die op zijn schreden terugkeert, omdat hij zich echt realiseert wat er aan hem gebeurd is. Eén die naar Jezus komt om God te danken, omdat hij volkomen genezen is. Hij is niet meer besmettelijk. Hij is ook geestelijk genezen. Daarom zegt Jezus: ‘Je geloof heeft je gered!’.
Zo horen wij mensen  die door een diep dal zijn gegaan wel eens zeggen: ‘Zonder mijn geloof had ik het niet gered!’ Als je vertrouwen durft te stellen in God heeft dat vaak als gevolg dat je niet geobsedeerd raakt door je problemen. Het tempert ook opkomende woede. Je geloof helpt je zaken los te laten, want je raakt verkrampt als je alles naar je eigen hand wilt zetten. En dat geeft weer lichamelijke klachten.
Wat die 9 andere lepralijders bezield heeft, weten we niet. Mogelijk waren ze bang dat Jezus hen een opdracht zou geven. Want als je oog in oog staat met iemand die je een weldaad heeft bewezen, is het heel moeilijk om te weigeren. Ook komen we mensen tegen die na hun genezing gewoon verder gaan alsof er niets gebeurd is.
In het circus klappen we in de handen tot ze pijn doen voor de koorddanser die in de nok over een staaldraad van de ene kant naar de andere loopt. Maar is het al niet een wonder, als we gewoon kunnen lopen met beide voeten op de grond? Als we ’s morgens uitgerust kunnen opstaan; als we een dak boven ons hoofd hebben en werk dat ons bevalt? Als we mensen om ons heen hebben die ons waarderen en van ons houden? Is het niet een wonder, als we gezonde (klein)kinderen hebben en een inkomen waarmee we ons kunnen redden? Vaak vinden we deze zaken zo vanzelfsprekend dat we ons nauwelijks realiseren hoeveel ons zomaar gegeven is als een geschenk. Als we daar echter oog voor hebben, ook voor de kleine dingen, dan voelen we de behoefte om God te danken en genieten we dubbel. Laten we God danken voor al zijn weldaden en vragen om meer vertrouwen in zijn kracht en om geloof dat ons geneest naar ziel en lichaam. AMEN .

zondag 6 oktober 2019: 27e Zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Habakuk 1, 2-3 en 2, 2-4; 2 Timotheüs 1, 6-8.13-14; Lucas 17, 5-10.

Bij alle erkenning van de gelijkwaardigheid van alle mensen, tegenwoordig, is er daarnaast voortdurend aandacht voor mensen die boven het gemiddelde uitsteken: voetballers,  sterren op het gebied van allerlei vertier, Tv-presentatoren, toppers op het gebied van zang, film, wetenschap, extreme rijkdom. En voor allen zijn er aparte prijzen op jaarlijkse gala’s. De gewone mens, hoe gelijkwaardig beleden ook, kan er alleen maar naar kijken, beseffend, dat hij zelf nooit van zijn leven die status zal bereiken.  En waarschijnlijk zijn de meesten daar ook nog tevreden mee, want al dat ‘ster-zijn’ kost ook heel veel energie en misschien ook nog wel leven in een schijnwereld. Zouden degenen, die de sterren toejuichen  wel geïnteresseerd zij  in de gewone mens, die de ster óók is? Er zijn immers nog heel wat andere terreinen van leven, waarmee de sterren van de TV, juist zoals wij zelf, dagelijks te maken hebben. We kunnen denken aan gezin, werk, verkeer, omgang met elkaar, verwerken van tegenslag. Ook daarmee moet men, vaak, weinig opvallend, mee omgaan. Daarbij lijkt iemands levenshouding, de manier waarop men in het leven staat, van belang.
Vandaag  gaat het in de Evangelielezing  uit Lucas over leerlingen van Jezus, die zich tekort voelen schieten in geloof. Ze voelen zich, samen met Jezus op weg naar Jeruzalem, weliswaar aangetrokken door de manier van spreken en doen van Jezus. Ze zijn best onder de indruk van de manier waarop Hij in het leven staat; maar ze voelen ook, in vergelijking met Hem, hun tekort. Ze voelen de weerstand bij de godsdienstige overheid, hogepriesters, Schriftgeleerden, oudsten en leden van de groepering van de Farizeeën. Ze voelen twijfel in zichzelf, want het vraagt nogal wat van hen als ze Jezus willen volgen. Het betekent  dat ze hun eigen opvattingen moeten bijstellen, zoals ‘dat ze altijd moeten vergeven’; ‘zelfs de vijand moeten liefhebben’;  ‘als ze de voornaamste willen zijn dat ze dan de dienaar moeten wezen’, ‘dat ze niet goed en vroom moeten zijn om gezien te worden’. Kunnen ze dat wel? Kunnen ze de moed opbrengen om Jezus te volgen? Ze vragen aan Jezus ‘geef ons meer geloof’. Een vraag die de gelovige van vandaag zal begrijpen in een tijd dat geloof en kerk onder druk staan en door menigeen afgewezen worden. Jezus wijst erop, dat geloven, al is het nog gering, het onmogelijke mogelijk kan maken. Hij vergelijkt het met een mosterdzaadje (toentertijd) het kleinste van alle zaden.
Mensen, heiligen laten zien dat het woord van Jezus waar is. Van de week vierden we de gedachtenis van Theresia van Lisieux en van Franciscus van Assisi. Ook zij hebben menigmaal gebeden om meer geloof, zoals praktisch alle heiligen, trouwens.  Theresia vond God in de alledaagse dingen van haar leven. Dat lijkt tegenwoordig niet zo eenvoudig. De dingen van alledag laten ons vaak niet ontdekken, nodigen ons niet uit om  in verwondering stil te staan, maar slepen ons eerder mee en zijn ons de baas zijn. Er is geen of weinig ruimte voor bezinning op ons eigen doen en laten.  Wat nu onmogelijk lijkt heeft zij tot stand gebracht.
Franciscus van Assisi , zoon van een rijke stoffenkoopman.  Hij doorziet de (innerlijke) leegte die rijkdom met zich mee kan brengen en kiest voor een bestaan in  armoede Met zijn in eigen ogen klein geloof heeft hij een leven geleid dat nu nog velen inspireert. Het zijn dan een paar toppers onder de mensen, als je wil ‘sterren’. Maar vergeten we niet het grootse wat menige eenvoudige mens, vanuit zijn of haar in eigen ogen kleine geloof tot stand brengt. Ze zijn trouw aan het vervullen van de opgaven van alle dag Ze doen het vaak onopvallend maar vanuit hun geloof geïnspireerd. Ook zij zullen menigmaal bidden: ‘Heer geef ons meer geloof’, zeker  nu hun geloof vaak door minder mensen wordt gedeeld. Mocht ons dat overkomen, ons op de proef gesteld voelen, mogen we dan moed vatten en zelf ook bidden om meer geloof. AR.