Preken

Zondag 27 oktober: Jezelf etaleren of rustig in de spiegel kijken?

By 27 oktober 2019 No Comments

Velen van ons kijken bij het openslaan van de krant het eerst naar de cartoons. De parabel die Jezus vandaag vertelt kun je beschouwen als zo’n cartoon, maar dan met woorden. Wat ons daarin prikkelt is de overdrijving. We zien dat in de manier waarop Jezus beide mensen tekent. Vooraan in de tempel staat een man die met opgeheven hoofd tot God spreekt. Hij dankt God dat hij niet zo is als al die mensen die kwaad doen en niet leven volgens de Thora, de Joodse Wet. De ander staat helemaal achterin, dichtbij de uitgang, alsof hij denkt: ‘Mag ik hier wel komen?’ Hij durft zijn ogen zelfs niet opslaan, klopt zich op de borst en bidt: ‘Heer, wees mij zondaar genadig!’ Door de karikatuur die Jezus schildert geeft Hij ons argumenten om te zeggen: ‘Ja, maar daar ken ik me niet in terug. Zo ben ik niet!’ En voordat we in de spiegel van het Evangelie hebben gekeken, lopen we verder en denken: ‘Zo’n  verwaande opschepper als die farizeeër ben ik niet! Al zijn we niet brandschoon, maar zo opscheppen tegenover God, dat past niet bij mij. Dan voel ik me toch meer verwant met die tollenaar. Het is weliswaar een collaborateur, een bedrieger, maar liever dat dan me zo te etaleren en op anderen neer te kijken’.  Mensen die vaak en lang  in een spiegel kijken noemen we ijdeltuiten, maar zonder dat hulpmiddel zouden we er vaak onverzorgd bijlopen. Jezus’ parabel is een heldere spiegel. Daarin zien we snel: die farizeeër is een verwaande kwast. Daarom voelen we misschien meer sympathie voor die tollenaar met zijn twijfelachtige reputatie. In plaats van zichzelf te rechtvaardigen en vrij te pleiten, erkent die man zijn zwakheid en falen. Met spijt in het hart ziet hij zijn levenswijze onder ogen en vraagt God om ontferming. Bij een vluchtige blik in de spiegel herkennen wij ons in geen van beiden. We zijn niet zo verwaand dat we menen dat er op ons niets aan te merken valt. Tegelijk denken of zeggen we menigmaal: ‘Ben ik blij dat ik niet ben als die en die..’ Als we echter in alle rust in de spiegel van de Bijbel kijken, herkennen we ons in alle twee. Enerzijds herkennen we de valkuil van de farizeeër die God dankt dat hij niet is als de mensen die het niet zo nauw nemen met de Wet. Anderzijds zijn we ook geen notoire bedriegers als de tollenaars. Maar misschien merken we in de omgang met medemensen wel  de neiging om ons te etaleren; dat we in contact met anderen vaak praten over wat we doen of gedaan hebben en te weinig openstaan om de ander te leren kennen. Voor we het in de gaten hebben, etaleren we onszelf.
Al zullen we dat in ons bidden niet zo gauw doen, wel is herkenbaar dat we bij ons gebed meer zelf aan het woord zijn, dan dat we luisteren naar onze gedachten of naar wat een bepaalde tekst ons te zeggen heeft. Misschien merken we ook , dat anderen niet lang willen luisteren naar verhalen over onszelf.
In de parabel blijkt dat de tollenaar zich terdege bewust is van zijn oneerlijke   levenswandel. Toch durft  hij God aan te spreken en te bidden om genade. Hij laat God niet los in het vertrouwen dat God hém niet zal loslaten. En daar komt het in ons geloven toch op aan:  vertrouwen dat God van ons houdt, niet omdat we zoveel verdiensten hebben, maar omdat wij het zijn.  Zoals het bij echte liefde tussen mensen niet gaat om het uiterlijk van de ander of zijn prestaties en noch minder om wat hij bezit, maar om wie de ander is, om zijn/haar persoon.  Van God durven we geloven dat Hij van ons houdt om wie we zijn en omdat wij het zijn.  De farizeeër blijft helaas gevangen in het ideaalbeeld dat hij zichzelf oplegt. Hij staat wel voor in de tempel met opgeheven hoofd, maar in feite is hij slaaf van de wet. Hij voelt de regels en voorschriften van de Thora als een druk en niet als een kompas naar een leven dat vrede en voldoening geeft. De tollenaar gaat weliswaar zijn eigen weg. Toch wordt hij door God bemind, zegt Jezus. Hij beseft dat hij niet in staat is op eigen kracht zich te verbeteren en te redden, maar dat hij Gods hulp daarbij nodig heeft. Zo hebben ook wij God nodig, alsmede de spiegel van het Evangelie om naar onszelf te kijken met de ogen van Jezus.  Geve  de H. Geest ons de moed om regelmatig in deze spiegel te kijken. AMEN.