Preken

Zondag 24-11-2019: Christus Koning van het helaal

By 25 november 2019 No Comments

Lezingen: 2 Samuël 5. 1-3; Lucas 23, 35-43

Waar mensen samen leven in welke hoedanigheid dan ook,  als nomaden met hun vee, maar ook als ze zich gaan vestigen en de aarde gaan bewerken, dan zijn er altijd onder hen geweest, die leiding gaven: stam- of dorpsoudsten, rechters, koningen, presidenten. Ze hadden een natuurlijk gezag of hen was gezag -en de daarbij behorende macht-  toegekend of op hun schouders gelegd. Vaak deed in oude tijden de bestuurder zijn werk in Gods Naam. Zo sluit koning David vandaag in de eerste lezing in Hebron een verbond ten overstaan van de Heer met de stamoudsten. Zijn koningschap had dus een godsdienstige achtergrond. De eigenlijke Heer, die ook de koning te gehoorzamen had, was God, Hij was de blijvende heerser bij alle tijdelijkheid van koningen en magistraten, die in het Romeinse Rijk soms zelf als God aanbeden wilden worden.

In de tijd dat Jezus leefde waren niet de Joden zelf de baas maar de Romeinen. Die gunden aan de verschillende volken waar ze de baas over waren wel enige vorm van bestuur als zij zelf maar de baas bleven. De Joden hadden in die tijd in Herodes wel een pseudo-koning maar de landvoogd Pilatus was de echte baas. Die kon ook doodvonnissen vellen ondersteund door Romeinse officieren en soldaten.

De titel ‘Jezus van Nazareth, koning van de Joden’ boven aan het kruis was dan ook eerder een titel om Jezus te bespotten dan dat het zijn werkelijke positie in de politiek aangaf.  Toch had Jezus in het Evangelie van Johannes  op een vraag van Pilatus aangegeven: ‘Koning ben, daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen om te getuigen van de waarheid., en ieder die de waarheid is toegedaan luistert naar wat ik zeg’. Daarmee geeft Jezus aan wat de inhoud van zijn optreden is. Elders in het Evangelie typeert Jezus  zichzelf als ‘weg, waarheid en leven. We zouden kunnen zeggen: als we Hem volgen zijn we in de waarheid en op de weg van het leven.

Dat de soldaten, maar ook een van de met Jezus gekruisigden, Jezus’ koningschap spottend verstaan hebben we gehoord in het Evangelie. Maar de soldaten verstaan het dan ook in politieke zin en maken zich vrolijk over iemand die zich opwerpt als koning en zo af gaat. Ook een  va de met Jezus gekruisigden spot met hem, maar de ander ziet het anders.  Hij ziet in H=Jezus een rechtvaardige, die niets verkeerds heeft gedaan, terwijl hij zelf terecht gestraft wordt. Hij vraagt degenen die Jezus bespotten: ‘hebben jullie geen vrees voor God?’  Straf mag je niet zomaar of uit machtswellust opleggen, maar moet terecht zijn, is van een hogere orde, reikt tot bij God.  En, zegt hij van Jezus: ‘Hij heeft niets verkeerds gedaan’. Hij erkent in Jezus en diens Rijk van ‘weg, waarheid en leven’ en vraagt: Jezus, gedenk mij als U in uw koninkrijk gekomen bent. Zijn bede wordt door Jezus verhoord: ‘heden nog zul je met me zijn in het paradijs’.

Als Pius XI in 1925 het feest van Christus Koning instelt leven we in de tijd van de zogenoemde volkskerk, waar heel veel mensen aan meededen. Maar er waren andere tijden op komst. Vandaag moet de gedachtenis  van Christus Koning bij de afsluiting van het kerkelijk jaar begrepen worden naar zijn fundament. Geloven betekent voor ons: onszelf toevertrouwen aan Hem wiens koningschap Weg, Waarheid en Leven inhoudt  voor allen die luisteren naar zijn stem. Mogen we bij hen horen en daardoor in de waarheid zijn en op de weg van het leven. Amen.