Preken

Zondag 14-7-2019: 15e zondag door het jaar.

By 15 juli 2019 No Comments

Lezingen: Deuteronomium 30, 10-14; Kolossenzen 1, 15-20; Lucas 10, 25-37.

In onze samenleving met zijn vele culturen, godsdiensten en levensopvattingen is de christelijke kijk op het leven hoe langer hoe meer op de achtergrond aan het raken. Laat staan dat men die kijk op het leven zo belangrijk acht, dat men zijn leven inzet op het promoten ervan. Duidelijk wordt het o.a. daaraan dat kandidaten voor het priesterschap, het diaconaat en het leven in een kloostergemeenschap nauwelijks nog bij mensen van hier te vinden zijn. Ons bisdom heeft in Cadier en Keer een grootseminarie met kandidaten van alle mogelijke landen van de wereld maar niet van hier. Ze studeren in  Rolduc met een aantal mensen uit India, die hier de taal leren om een aantal jaren ons bisdom als priester van dienst te zijn. Kloosterlingen vergaat het net zo.  De zusters van Heerlen, op hun hoogtepunt met 2000 leden zijn u nog met geen honderd meer. Redemptoristen van Wittem op hun hoogtepunt met zo’n 400 leden in 15 eigen kloosters en retraitehuizen in Nederland (buiten die in Brazilië en Suriname) hebben na verkoop van Wittem geen eigen huizen meer. Is dat pijnlijk? In zekere zin ja, vooral voor degenen, die hun  hart verpand hadden aan de vaan eeuwenoude traditionele katholieke gewoonten en gebruiken. Maar er is ook een andere kant. Dat wat we meemaken nodigt n.l. uit tot bezinning? Gods wegen, leerden we vroeger al, zijn (vaak) niet onze wegen. We ontdekken nu ook (opnieuw soms) andere dingen in de H. Schrift, omdat de omstandigheden nu anders zijn dan vroeger. We lezen onze heilige boeken anders. We leven nu, bijvoorbeeld met de vraag hoe we de verschillende culturen en levensopvattingen in ons land moeten waarderen. Hebben de mensen die geen christen zijn het allemaal bij het verkeerde eind? Of kunnen ook zij laten zien, dat ze kinderen zijn van God? Vinden we daarvoor aanwijzingen in de H. Schrift?  Vandaag vinden we een voorbeeld.

De mensen uit Samaria werden door die van Judea als ketter beschouwd die zich niet aan het ware geloof hielden. En juist een van hen troeft in waarachtige naastenliefde de bedienaars  van de tempel in Jeruzalem af, een priester en een leviet. Zij lopen met een grote boog om de berooide en gewonde man heen. Het was hen met al hun vroomheid te lastig om de gewonde man te helpen. Jezus geeft aan dat een dergelijke uiterlijke vroomheid te kort komt. Hij heeft is zijn verkondiging en manier van leven aangegeven, dat de liefde tot God, het eerste gebod, gelijk moet zijn aan het tweede, de liefde tot de naaste. Die geboden liggen verankerd in de mens zelf, in zijn geweten. De eerste lezing van vandaag geeft dat aan. Die is genomen uit het laatste van de 5 boeken waarin Mozes aanwijzingen geeft aan zijn mensen. Zijn vijf boeken samen vormen de zogenoemde Wet van Mozes. Die zegt: Gods geboden zijn niet veraf en je hoeft ze niet ver te zoeken,  maar ze liggen binnen ons bereik. ‘Het woord (der geboden) is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen’, zegt de tekst. Ieder mens voelt van binnen aan aan dat iemand in nood geholpen moet worden. Hoe dat gebeuren moet wordt er niet bij gezegd. De Samaritaan doet dat overeenkomstig zijn mogelijkheden.
Wij overeenkomstig de onze, zowel de grote als de kleine noden. Het grote armoede- en vluchtelingen vraagstuk in onze wereld moeten tegemoet getreden worden met onze mogelijkheden, politiek met economisch. Landen in oorlog met vredesonderhandelingen door landen die ertoe in staat zijn en bevoegd door de internationale gemeenschap. Voor mensen in nood moeten heb- en gemakzucht en eigenbelang wijken. We zijn zelf menigmaal beperkt in onze mogelijkheden. Willen we echter werkelijk godsdienstig zijn, dat zullen we die beperkte mogelijkheden evengoed om mensen in nood te helpen. Laten we daarbij ook niet vergeten de goedheid te erkennen die zichtbaar is in degenen, die niet qua cultuur of godsdienst bij ons horen. In hun medemens nabij-zijn staan zij dicht bij God. AR