Preken

zondag 10 november 2019: Hij is geen God van doden maar van levenden

By 10 november 2019 No Comments

Als de naam Mozes wordt genoemd, herinneren we ons het verhaal van het mandje tussen het riet aan de oever van de Nijl. Zijn moeder wilde haar kind redden uit de handen van de moordende soldaten van farao, maar de dochter van farao vindt de huilende baby en adopteert hem als haar eigen kind. Als kleuter naar het paleis gebracht, wordt hij opgevoed aan het Egyptische hof. Als hij – eenmaal volwassen geworden –  ziet hoe zijn volksgenoten worden mishandeld door Egyptische slavendrijvers, wordt hij zo kwaad dat hij een van hen vermoordt. Dat betekent het einde van zijn verblijf aan het hof. Hij vlucht de woestijn in en wordt gastvrij opgenomen in het huis van Jetro, de priester van Midjan. Mozes gaat zorgen voor de kuddes van Jetro en zo trekt hij vaak diep de woestijn in op zoek  naar voedsel voor zijn dieren. U begrijpt, als je zo loopt te dwalen in een omgeving waar de stilte bijna hoorbaar is, dan gaat er heel wat door je hoofd. Wat Mozes in de afgelopen jaren heeft meegemaakt, komt hem weer voor de geest. Hij voelt zich waarschijnlijk schuldig. Zelf is hij  ontkomen aan de wraak van farao, maar zijn volkgenoten gaan nog steeds gebukt onder de slavernij. Hen kan hij niet vergeten en voelt zijn verblijf bij Jetro waarschijnlijk als een vlucht voor zijn verantwoordelijkheid. In de stilte van de woestijn krijgt hij een heel bijzondere ervaring. Op gegeven moment wordt zijn aandacht getrokken door een doornstruik die in lichterlaaie staat en toch niet door het vuur wordt verteerd. Hij hoort een stem in zijn hart die hem opdraagt naar farao te gaan en zijn volk te bevrijden. Vragend naar de naam van de Stem die hij beluistert, krijgt hij te horen:  ‘ Ik ben zoals Ik ben. Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jacob’, de God die jullie voorouders heeft geleid. Mozes ziet wel vlammen, maar geen herkenbare gestalte. Wie van ons kan een boeiender en treffender beeld bedenken voor het Mysterie van de onuitsprekelijke God, de Schepper van al wat leeft?  Ook het verbod in het O.T. om beelden van God te maken, getuigt van diepe religieuze wijsheid.
Als de Sadduceeën Jezus voor schut willen zetten met zijn geloof in een leven dat verder gaat dan de grenzen van de dood, dan herinnert Hij hen aan die ervaring van Mozes aan wie God zich bekend maakt als de God van Abraham, Isaak en Jacob. ‘Hij is geen God van doden, maar van levenden’, zegt Jezus. De vraag waarmee de Sadduceeën bij Jezus komen laat zien, dat zij het geloof in een leven na onze dood in het belachelijke willen trekken. Voor hun is dat iets onmogelijks. Ook wij moeten erkennen dat de dood ons plaatst voor een groot Mysterie. Niemand van ons kan zich een voorstelling vormen van een leven dat verder reikt dan dit aardse bestaan. Wij zien heel goed in dat ons bestaan hier eindig is en dat al wat leeft op den duur mankementen gaat vertonen en verslijt. Maar als het gaat om mensen van wie we houden, merken we ook dat we aan hen blijven denken en dat de gevoelens van liefde en verbondenheid blijven bestaan over de grenzen van de dood heen. Het feit dat wij stervelingen ons geen voorstelling kunnen vormen van een leven dat verder reikt dan onze lichamelijke dood, betekent nog niet dat het niet bestaat en dat geloven in eeuwig leven onzin is. Ieder van ons mensen kent die hij nooit zal vergeten, ook al zijn ze reeds lang geleden gestorven. De herinnering aan hen die ons zo lief en dierbaar zijn geweest, dragen wij in ons hart mee zolang als we leven. Als wij – sterfelijke mensen – dat al zo ervaren, dan kun je je afvragen: Hoe zou  God die ons uit liefde geschapen heeft en in leven houdt, hoe zou de Eeuwige ons bij onze dood plotseling kunnen vergeten als een blad dat de boom valt en vergaat? Hoe zou onze naam kunnen verdwijnen uit zijn herinnering, alsof we nooit hadden bestaan? Wie kan zich dit voorstellen? Ik in ieder geval niet.
Als mensen die ons lief zijn ons ontvallen, dan hebben we daar veel verdriet van. We voelen het gemis pijnlijk en het maakt ons misschien boos. We vragen ons af: wat heeft dat sterven voor zin en waarom nu al? God  wordt  voor ons een levensgroot vraagteken. We voelen ons dan vaak heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. We kennen momenten van vertrouwen en van diepe verlatenheid en boosheid misschien. Jezus wuift deze ervaringen niet weg, maar nodigt ons uit om ons tot God te keren met al die gevoelens, gedachten en vragen die er leven in ons hart.  De 1e lezing verhaalt ons dat het vertrouwen van die 7 zonen op eeuwig leven zó sterk is, dat ze zelfs de meest wrede martelingen doorstaan. Ze verbazen de koning en zijn gevolg  door hun geestkracht.  Heeft het vertrouwen in een leven dat verder reikt dan de grens van de dood niet alles te maken met ons beeld van God, Wie God is. God als de Barmhartige, de Liefdevolle die alle mensen wil omsluiten en niet uitsluiten. Dat is het beeld van de God waarmee Jezus is opgegroeid, de God van Mozes en de Profeten, de God van zijn ouders.  Als dat geloof ons visitekaartje is als christenen, oprecht geloof in een leven na de dood, hechten we dan ook niet meer waarde aan het leven vóór de dood? Gaan we dan niet bewuster en zorgvuldiger om met ons dagelijks leven nu? Met meer elan, meer hoop, geloof en liefde? We worden uitgenodigd erom te bidden. AMEN.