Preken

Zondag 1-8-2021: 2021 18 B: Wie stilt onze diepste honger?

By 1 augustus 2021No Comments

Honger hebben, dorst hebben: dat hoort bij onze menselijke constitutie. Je merkt hoe belangrijk maaltijden zijn bv. in een verzorgingshuis. Als die niet goed verzorgd zijn, geeft dat reden tot klagen en ontevredenheid.                              De 1e lezing vertelt over het volk Israël dat onder leiding van Mozes de slavernij in Egypte ontvlucht is, op zoek naar vrijheid. In de woestijn dreigen ze om te komen van honger en dorst. Dan beginnen ze te klagen. Tegen Mozes en Aäron, maar indirect tegen God.  Opvallend is dat God hier niet kwaad of ongeduldig om lijkt te zijn. Kennelijk zijn de klachten terecht, want God treft een duurzame regeling,  zij het met voorwaarden. Zo mag ieder oprapen wat nodig is voor één dag, zodat er genoeg is voor iedereen. Dat is een hele opgave voor mensen die voortdurend de neiging hebben om te hamsteren en hun leven veilig te stellen. In wezen vraagt God dat wij durven vertrouwen op zijn leiding en zijn zorg voor ons. Voor het verstaan van het Evangelie van Johannes is belangrijk te weten dat het hier niet gaat om een historisch verslag van gebeurtenissen die hebben plaats gevonden bij het meer van Galilea. Het is veeleer een getuigenis van het geloof in Jezus zoals dat leefde in de christengemeente die de apostel Johannes heeft gesticht in Kl. Azië.
Natuurlijk hebben we behoefte aan eten en drinken, maar ook aan warmte, aandacht, intimiteit en verbondenheid. Velen vinden geen echte voldoening in materiële zaken, zoals geld en bezit, carrière en naamsbekendheid enz. Ze kennen ook een religieus verlangen, behoefte om zin en betekenis te geven aan hun leven. Ze hebben vragen als: Wat is mijn opdracht hier op aarde en wat zal eens mijn toekomst zijn, als dit aardse leven eindigt?  Waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe? Ze hebben waarden die voor hen belangrijk zijn en die richting geven aan hun leven.
De kerkvader Augustinus, bisschop van Hippo in Nrd. Afrika, eind 4e – begin 5e eeuw, heeft veel nagedacht over het religieuze verlangen dat veel mensen kennen. Van hem komt de beroemde uitspraak: ‘ Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, mijn God.’ Voor Hem was helder: ons verlangen naar eten en drinken, naar intimiteit en andere zaken vervult dit aardse bestaan nooit helemaal. Iedere keer komen er andere (diepere) verlangens in ons op. M.a.w. het religieuze verlangen kun je niet stillen met eten, drinken, shoppen, reizen enz. Je zoekt de vervulling dan op een verkeerde plaats zegt Augustinus.
In de rabbijnse traditie was brood het symbool voor de Thora, de boeken van Mozes, de Joodse Wet. Als je dat ‘brood’ niet regelmatig tot je neemt, loop je vast. Dan heeft je leven geen inhoud. Nu leefde er binnen het Jodendom de verwachting dat het manna – dat de voorvaderen hadden gegeten  in de woestijn – zou terugkomen bij het verschijnen van de Messias. Op het eind van de 1e eeuw is er de kleine christengemeente van de apostel Johannes, die openlijk verkondigt dat die nieuwe tijd al ís aangebroken en dat de Messias al ís verschenen. En dat dus het manna, het echte Brood uit de hemel, opnieuw is neergedaald. Wat  men eeuwenlang hoopte en verwachtte, is reeds gebeurd, zo verkondigen zij. Het nieuwe manna is er. Het is Jezus zelf, het Woord van God. Dat brood geeft eeuwig leven aan wie in Hem gelooft, nu al. Na ruim 50 jaar bidden en mediteren is de apostel Johannes tot de conclusie gekomen: Jezus is het echte Brood uit de hemel. Hij is in staat onze diepste honger te stillen. En deze Jezus heeft ons een beeld van God geschilderd die Liefde is en van ons houdt zoals we zijn. Hij nodigt ons uit onszelf te geven als voedsel voor anderen.
Ook Teresa van Avila gebruikt in haar geschriften het beeld van het schilderen. Ze stelt: Wij zijn niet de bron van ons leven. Die Bron is God. Hij is degene die ieder van ons in zijn liefde heeft geschilderd en daarmee doorgaat. Wij denken vaak dat wij zelf de schepper zijn van ons leven en nemen zelf het penseel ter hand. Wij zijn echter niet geschapen naar óns eigen beeld en raken gevangen in onszelf, als we het toch allemaal zelf willen doen en in de greep houden. Hoe vaak zijn we niet bang geen andere keus te hebben dan met alle macht ons hoofd boven water proberen te houden. Maar vroeg of laat ontdekken we dat we onze eigen wereld aan het creëren zijn waar we zelf de touwtjes in handen hebben. Op dat moment is niets belangrijker, zegt Teresa, dan contact te maken met de goddelijke Bron in onszelf. Alleen Deze kan ons op het goede spoor brengen. Wij menen vaak dat we op koers liggen, als we vastomlijnde doelen hebben, maar essentieel is dat we deze doelen durven loslaten, zegt Teresa. Pas dan vinden we de toegangspoort naar ons binnenste. Daar worden we aangekeken door de Ander, de Eeuwige, die ons schildert en van binnenuit omvormt. Hij is ons centrum en wij zijn zijn woning. Teresa is er van overtuigd dat God altijd in ons is. Wat er ook is gebeurd, hoe ver wij ook zijn afgedwaald, God is nooit ver weg. Hij staat altijd voor ons klaar, zodat we ons enkel tot Hem hoeven te keren en bereid tonen naar zijn stem te luisteren. Ze zegt: God straft ons niet om wat wij gedaan hebben. Hij bekijkt ons niet argwanend, alsof we onze goede bedoelingen maar eens moeten bewijzen. Neem bv. het verhaal van de verloren zoon. Door de vreugde omdat wat verloren was weer is teruggevonden, verbleekt al het andere in Gods ogen. De vreugde dat God zichzelf mag zijn bij ons en dat Hij zijn blik vol liefde ongehinderd op ons kan laten rusten, is groter dan al wat er in het verleden gebeurd is. Wij zijn geneigd onszelf als Godzoekers te zien. Teresa draait het om en laat God zeggen: ‘Zoek je zelf!’.  Geen aansporing tot egoïsme, maar tot zelfkennis die ons nederig maakt. Dan gaan we de Liefde erkennen die ons geschapen heeft. Het beeld dat God van ons maakt, is niet na te schilderen, hoe zeer wij ook ons best doen. We kunnen enkel op zoek gaan naar de Ander die ons schildert. Dan worden we wie we in zijn ogen zijn: in liefde geschapen en daarom mooi.
AMEN