Preken

Zondag 31 maart 2019: 4e zondag v.d. veertigdagentijd.

By 31 maart 2019 No Comments

2019   4  VA  C  BESEF DAT JE AFHANKELIJK BENT VAN GODS BARMHARTIGHEID.

In de 1e lezing zegt de Heer tot Jozua: ‘Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld’.  Die woorden klinken als de Israëlieten eindelijk door de Jordaan het beloofde land zijn binnengetrokken. Israël is uit Egypte weggevlucht en heeft  40 jaar gezworven door de woestijn. Ze hebben daar van alles doorgemaakt, maar zichzelf niet kunnen bevrijden van de smaad en de trauma’s die de slavernij in hen heeft achtergelaten. Dat heeft God gedaan. Als wij als gelovige mensen een godsdienstig en religieus leven willen leiden, is het niet voldoende dat wij bepaalde geloofsgegevens aannemen en de wetten die daarbij horen onderhouden. Dan zou alles afhangen van onze eigen activiteiten en prestaties. Als wij een religieus leven willen leiden, vraagt dat niet alleen onze eigen inzet, maar ook dat wij alles van God verwachten. Het vraagt dat we ons laten omvormen, zodat we gaan beseffen dat we vooral afhankelijk zijn van Gods barmhartigheid.  Wetten onderhouden legt sterk de nadruk op onze eigen inzet en het leren kennen van de juiste leer. Dat is nog iets anders dan gaan beseffen dat wij mensen niet in staat zijn onszelf te bevrijden, maar dat de werkelijke bevrijding komt van God die ons redt. Dat is nl. de harde leerweg geweest voor de Israëlieten die 40 jaar door de woestijn zijn getrokken, een tocht waarop  het volk voortdurend werd geconfronteerd werd met zijn zwakheden en twijfels, maar ook met de kracht die ze putten uit de ervaring dat God bij hen aanwezig was en met hen meetrok.

Elk jaar opnieuw worden wij uitgenodigd om Jezus te volgen op zijn tocht door de woestijn door te bidden en te vasten, te delen met wie in nood zijn en om genezen te worden van onze eigenmachtigheid. Telkens opnieuw komen wij nl. in de verleiding onze godsdienstigheid in te perken tot datgene wat wij er zelf aan kunnen doen. Vaak zijn wij er ons niet van bewust hoe eigenmachtig wij met God omgaan. Zo hebben wij bijv. onze eigen ideeën over hoe wij ons het beste kunnen inzetten voor het Rijk van God. We lopen daarmee het risico dat we kleine (religieuze) doe-het-zelvers worden, die geen benul meer hebben van de relatie waarin we staan. Als we ons echt openstellen voor God en zijn spreken tot ons hart, dan kan het besef bij ons doorbreken van de oneindige afstand die er is tussen God en ons mensen én van de oneindige Liefde die ons mensen verzoenend omarmt.
Het Evangelie van deze 4e zondag geeft ons een treffend beeld van dit gegeven. Een vader heeft twee zonen. De oudste blijft thuis, werkt hard en onderhoudt de geboden van zijn vader. De jongste eist zijn erfdeel op en gaat dat in een ver land verkwisten door een zondige levenswandel. Tot zover is het helemaal helder wie de verloren zoon is. Dan krijgt de jongste spijt en gaat naar zijn vader terug om nederig dienstwerk te vragen. De vader is zo blij om de terugkeer van die jongste dat hij een feest geeft, maar dat gaat de brave oudste zoon te ver. Waarom zoveel gedoe voor een zondaar, terwijl hij zelf al die tijd zijn beste krachten heeft gegeven en niet eens een presentje van zijn vader heeft gekregen. De oudste zoon beroept zich op zijn verdiensten; de jongste kan zich slechts overgeven aan de barmhartigheid van zijn vader.
Wij staan er misschien nooit bij stil, maar feit is: hoe meer vorderingen wij maken op de geestelijke ladder, des te groter worden de gevaren en risico’s. Hoe meer wij stijgen op die ladder, hoe moeilijker het wordt het kwaad dat wij daar doen, de fouten die wij daar maken , te onderkennen en toe te geven. Iemand die een losbandig leven leidt, is makkelijker aan te wijzen dan iemand die ongemerkt niet goed zit. Wij die regelmatig naar de kerk gaan, onze bijdrage leveren aan de Vastenactie en ons inzetten voor allerlei noden in de wereld, wat valt er aan ons nog te verbeteren? Door zo te redeneren raken wij vervreemd van God en onze naasten, voelen wij ons verheven boven  ‘ echte’ zondaars. Gelukkig laat het verhaal van de jongste zoon ons iets anders zien. Natuurlijk moet hij op zijn schreden terugkeren. De reden om naar zijn vader terug te gaan is niet zozeer een knagend geweten, als wel een knagende maag. Hij gaat dood van de honger. De nieuwe start die de jongste zoon mag maken zit niet zozeer in zijn veranderde houding, als wel in de houding van de Vader. Wij danken de nieuwe kans,een nieuw begin aan zijn oneindige liefde die ons omarmt. Die genegenheid doet ons leven, als wij bereid gevonden worden vergeving te ontvangen. Dat betekent voor ons misschien niet een hele wég terug te gaan zoals die jongste , maar eerder een stáp terug te doen.
Laten wij bidden dat God de smaad van onze eigenwaan van ons afneemt, zodat wij weer alert worden op zijn Roepstem en ze beantwoorden op een manier die getuigt van onze liefde. In het besef dat we soms lijken op de jongste zoon en nog veel vaker op de oudste, vragen wij Jezus om de houding, de liefde van de Vader. Van zijn barmhartigheid zijn wij afhankelijk. AMEN.