Preken

Zondag 30-09-2018: Blijf alert en sluit niet buiten.

By 29 september 2018 No Comments

Als iemand ons zou aansporen onszelf te verminken om welke reden dan ook, dan zeggen we terecht: die mens is niet normaal. Daarom komen de uitspraken over het afhakken van een hand of voet en het uitrukken van een oog ons wel heel vreemd voor. Jezus’ tijdgenoten waren meer dan wij gewoon aan het gebruiken van verhalen en beeldtaal om iets duidelijk te maken. De krasse uitspraken in het Evangelie van deze dag mogen we beschouwen als een manier van Jezus om zijn volgelingen op het hart te drukken: het doel van ons leven is bouwen aan een wereld zoals God die voor ogen staat; d.w.z. een wereld waar iedereen tot zijn recht komt en waar liefde de voornaamste norm is. Voor dat Rijk van God mogen wij ons hier en nu inzetten en eens zal God zelf het tot voltooiing brengen. Wie hier van harte aan meewerkt, loopt het einddoel van zijn leven zeker niet mis. Hij zal leven vinden in overvloed. Met zijn vreemde uitspraken zegt Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Blijf alert en attent. Laat je door niets afbrengen van dat einddoel. Wat je daarbij hindert, ruim het op. Maak dat je de zorg voor de wereld zoals God die graag ziet, niet uit het oog verliest. Iedere hand die daaraan mee wil werken is van harte welkom!.’ Nou is er zowel in de 1e lezing uit het boek Numeri als in het Evangelie van Marcus sprake van mensen die onder invloed van de H. Geest goede dingen doen. Zowel Jozua, de rechterhand van Mozes, als Johannes, Jezus’ trouwste volgeling zijn van mening dat je alleen recht hebt om zoiets te doen, als je bij de groep hoort en daar een duidelijke opdracht voor hebt. Omdat ze gemerkt hebben, dat er ineens anderen bezig zijn met preken en kwade geesten uit te drijven, komen ze Mozes en Jezus daarvan in kennis stellen en vragen ze om hen dat te verbieden. Maar zowel Mozes als Jezus blijken daar geen enkele moeite mee te hebben. Vrij vertaald zegt Jezus: ‘Geef ieder die spreekt of handelt vanuit de goede Geest de ruimte. De Geest is geen duif die je in een kooi kunt zetten. ‘De Geest is als de wind die waait waar hij wil’, zegt Hij in gesprek met Nicodemus. ‘De H. Geest werkt in de harten van mensen. Hij bevrijdt van angst, moedeloosheid en twijfel. Hij geneest, verwarmt en troost’. En als Jozua bij Mozes komt klagen over het optreden van Eldad en Medad verzucht deze: ‘ Ik zou willen dat iedereen sprak met het vuur van de Geest’.Afbeeldingsresultaat voor wie niet tegen ons is is voor ons Jezus stelt: ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’. Het gaat er immers om dat het goede gebeurt en gedaan wordt. Wie dat doet is niet belangrijk; als het maar gebeurt. M.a.w. het doen van het goede is geen alleenrecht van bepaalde mensen of groepen. Jezus legt de lat laag. Als je niet tégen bent, is al heel wat. Het is de laagste graad van bevestigen. Hij wijst zijn leerlingen op de consequentie van afwijzend gedrag. Hij zegt: Wie een van deze kleingelovigen afwijst en laat vallen, – Hij doelt dan op de mensen die niet tegen zijn en hen die gewoon vriendelijk zijn – hij zou met een molensteen om de nek in zee moeten worden geworpen. Jezus keert zich tegen hen die anderen uitsluiten. Wie deze randfiguren buitensluit, sluit zichzelf buiten. Wie mensen die aan de rand van de geloofsgemeenschap staan, weert en uitsluit is zelf al buiten geworpen. Jezus gebruikt harde taal, want sommige mensen en groepen zijn zo overtuigd van hun eigen gelijk en eigen voortreffelijkheid dat ze a.h.w. een olifantshuid hebben bij wie zachte woorden niet doordringen. Als jij denkt mensen die niet zo kerks of niet zo gelovig zijn te kunnen beschouwen als niet bij de geloofsgemeenschap horend, kijk dan eens goed naar je zelf of jij wel zo’n voorbeeldig christen bent in de praktijk van alledag. Als gelovige christenen is het goed ons telkens te realiseren dat alles wat wij hebben en zijn geen eigen verdienste is, maar genade, een Godsgeschenk dat we hebben gekregen via onze ouders en anderen die ons in geloof, hoop en liefde zijn voorgegaan. Soms lijkt het of we niet kunnen verdragen dat God goed is en niemand buitensluit. Als we menen dat we ons gelovig-zijn zelf hebben verdiend, is het risico groot dat we ons gedragen alsof het ons eigendom is. We zijn dan geneigd degenen die weinig werk maken van hun geloof en die er naar ons idee maar wat bijhangen, mensen die zich aan de rand bevinden, uit te sluiten. Het lijkt soms dat we niet kunnen verdragen dat God onbegrijpelijk goed en barmhartig is. Jezus echter stelt: Ieder die spreekt met goede bedoelingen en handelt in mijn Geest, ieder die probeert frustraties op te lossen en negatieve krachten uit de harten van mensen te verdrijven, hij staat aan onze kant. Laat hem zijn gang gaan. Het gaat er immers om dat het goede gebeurt en gedaan wordt. Wie dat doet is niet belangrijk. Als het maar gebeurt. M.a.w. het doen van wat goed is, is geen alleenrecht van bepaalde mensen of groepen. Waar wij voor moeten oppassen is, dat we niemand op het verkeerde pad zetten door onze woorden en ons voorbeeld. Dat geldt eens te meer voor het omgaan met kinderen, randfiguren en allen die kwetsbaar zijn. Wie hen tekort doet, trapt God op zijn ziel. Zo’n vergrijp heeft de zwaarte van een molensteen.
Wie ijvert voor een goed doel en ook als gelovige christenen vinden we het fijn, als we niet alleen staan, maar de steun ondervinden van medestanders en geloofsgenoten. Het voelt als een stevige hand in de rug, als gelijkgezinden achter ons staan en met ons meedoen. Daarom heeft ook Jezus volgelingen rond Zich verzameld. Maar zo’n groep mag nooit verworden tot een machtsblok, dat andersdenkenden uitsluit, verkettert of een hekwerk plaatst om zijn eigen waarheid. Zowel Mozes als Jezus maken duidelijk dat er niemand aanspraak kan maken op alleenrecht voor het doen van het goede. Moeten wij als christenen niet de eersten zijn om ons aan te sluiten bij mensen die het goede doen? Er worden tegenwoordig zoveel initiatieven genomen op het vlak van vrijwilligerswerk, gezondheidszorg, hulp aan vluchtelingen, zorg voor het milieu, onderwijs en vorming, bezinning en vrede enz. Als mensen die bij de kerk willen horen is het niet onze opdracht om initiatieven van anderen te overtroeven, maar samen te werken waar dat maar mogelijk is. Als leerlingen van Jezus moeten we vooral aandacht schenken en ons afstemmen op de groepen die het meest vergeten worden. Als gelovige christenen moeten wij een instinctieve voorkeur ontwikkelen voor mensen die Jezus noemt ‘de minstens der Mijnen’. Laten wij bidden voor elkaars intenties en vooral om openheid voor zijn Goede Geest. AMEN.