Preken

Zondag 29-10-2017. Wat bedoelen we als we over liefde spreken?

By 29 oktober 2017 No Comments

Het zou boeiend zijn eens te horen waar ieder aan denkt als hij/zij het woord liefde hoort. Het hoeft ons niet te verbazen, als de antwoorden sterk verschillen. In de dagen van Jezus zijn het de Wetgeleerden en Farizeeen die een soort keurmeesters zijn van wat er op het gebied van geloof en zeden wordt verkondigd en gepraktizeerd. Omdat ze met Jezus vaak van mening verschillen komen ze naar Hem toe met de vraag: ‘Wat is er van al die wetten en voorschriften van de Thora nou het belangrijkste gebod?’. Ze hopen Jezus met hun vraag in de war te brengen. Ze hopen een antwoord te krijgen, waarmee Hij zich stevig in de nesten werkt, een reactie waarop ze Hem kunnen pakken. Maar Jezus’ antwoord is heel eenvoudig. Hij brengt al die geboden terug tot de kern: nl. Je moet God in je denken en heel je doen en laten boven alles stellen. En dat lukt alleen maar, als je evenveel zorg besteedt aan je naaste als aan jezelf. Wie God de hoogste prioriteit wil geven en van harte wil liefhebben, kan daar enkel in slagen door de naaste lief te hebben als zichzelf. M.a.w. die twee geboden zijn gelijkwaardig en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. U begrijpt, als de Bijbel spreekt over elkaar beminnen dan gaat het niet in de eerste plaats over lief en aardig zijn voor elkaar, maar over elkaar trouw zijn en recht doen; elkaar te hulp komen als dat nodig is. Het gaat erom elkaar met eerbied en respect te behandelen, alles te doen wat bijdraagt aan het geluk van anderen. Naastenliefde is geen kwestie van verliefdheid of warme gevoelens voor de naaste, maar van oprechte aandacht en zorgen dat de ander zo goed mogelijk tot zijn recht komt. Hem/haar alle geluk gunnen. Zo eenvoudig als het klinkt, zo moeilijk en weerbarstig is vaak de praktijk van alledag. Jezus spreekt wel van het eerste en tweede gebod, maar het een kan niet zonder het ander. Het gebod van God te houden met hart en ziel is een zin uit het joodse morgengebed. Er wordt bij gezegd: ‘Prent het in je hoofd, draag het met je mee, schrijf het op je deurpost, zodat het niet uit je gedachten verdwijnt’. God vraagt dat wij met heel ons wezen op Hem betrokken zijn: niet enkel datgene waarover we tevreden zijn, maar ook datgene waarover we ons schamen of wat ons boos maakt en moedeloos. Ook dat mag meedoen in het liefhebben van God. We mogen ons bij Hem presenteren zo als we zijn, eerlijk en oprecht, met onze kwaliteiten en onze gebreken en fouten. Hoe vaak horen we mensen niet zeggen: ‘Je kunt je naaste toch ook beminnen zonder God! Daar hoef je toch niet per se christen voor te zijn!’ Natuurlijk kan dat, maar christenen kiezen daar niet voor. Ze willen bij de opdracht om de naaste lief te hebben als zichzelf de kracht van Gods liefde, het woord en het voorbeeld van Jezus en het licht van de H. Geest niet missen. Als je God buiten beschouwing laat in je liefde voor de naaste, kan het je overkomen dat je gaat denken dat jij zelf het middelpunt bent en dat het leven om jou draait. Als het gaat om familie en vrienden zal dat wel meevallen, maar als het gaat om vreemden is dat risico groter. Nieuwkomers hebben overal minder rechten. Dat geldt in de straat, op school, in het bedrijf en in de vereniging. Ze worden makkelijk als een bedreiging gezien. Een verschijnsel dat zo oud is als de mensheid. Dat speelde ook reeds in het oude Israel. Daarom dringen de profeten er sterk op aan dat je vreemdelingen menswaardig moet behandelen. In de 1e lezing zegt de auteur namens God: ‘Je mag een vreemdeling niet slecht behandelen en hem het leven niet moeilijk maken, want zelf heb je als vreemdeling in Egypte gewoond. Weduwen en wezen en andere kwetsbare mensen mag je geen onrecht aandoen. Als je hen tekort doet, zal mijn toorn tegen jullie ontbranden’. M.a.w. we raken God in zijn hart, als we kwetsbare mensen tekort doen. We merken telkens dat ‘het hemd nader is dan de rok’, dat de liefde en de zorg voor de naaste ons niet als een vanzelfsprekend talent is meegegeven bij de geboorte. Het zit niet direct in ons DNA. Vaak hebben we de herinnering aan onze eigen noodsituaties nodig om de nood van anderen in te voelen en te verstaan. Toen tijdens de WO II Joden moesten onderduiken en familieleden moesten vluchten voor het oorlogsgeweld vonden we dat zielig, maar als nu mensen met gevaar voor eigen leven vluchten en Europa binnenstromen, dan hebben we daar moeite mee v.w. overlast, de kosten of angst voor banenverlies. Het getuigenis van de Schrift en m.n. de profeten laten ons horen hoe God daar over denkt en Jezus vereenzelvigt zich in woord en voorbeeld met deze vreemdelingen en armen . ‘Wat je doet voor de geringsten van je broeders of zusters, heb je voor Mij gedaan’. God is het beginpunt, de bron en de bestemming van alle liefde. ‘God is liefde’, zegt St. Jan. Met het antwoord dat Jezus aan de wetgeleerde geeft op zijn vraag naar het voornaamste gebod kunnen ook wij nog wel even vooruit! Laten we God bidden om de eerbied en de inspiratie, het licht en de kracht, de moed en het geduld, gaven die de H. Geest ons wil schenken. AMEN.