Preken

zondag 2 september 2018: Doordringen tot de geest van de wet.

By 3 september 2018 No Comments

Wetten, regels en voorschriften: we beseffen dat ze er moeten zijn om een geordend samenleven van mensen mogelijk te maken, maar ze maken ons meestal niet enthousiast. We beleven ze vaak als hinderlijk en storend, ofschoon we weten dat ze gemaakt zijn om ons welzijn te bevorderen.  Als we dan luisteren naar de 1e lezing van vandaag, dan is dat één en al loflied op de wet. Ze klinkt als een reclamespotje voor de religieuze geboden.’ Andere volken zullen jullie erom benijden’, zegt Mozes tegen de Israëlieten. ‘ Ze zullen verbaasd zijn over jullie levenskunst en over het inzicht en de wijsheid die uit deze wetten spreekt’. Zo probeert Mozes de mensen ertoe over te halen die voorschriften in acht te nemen. Kennelijk ging dat ook toen al niet vanzelf. Hij zegt: ‘Leef toch naar de tien geboden van God. Dan blijf je in leven en zul je het beloofde land binnengaan. Je levensgeluk en jullie toekomst hangt ervan af.’  Zo luidt de lofzang op de wet in het boek Deuteronomium. Het lijkt erop dat het Evangelie van Marcus een ander geluid laat horen en nog wel komend uit de mond van Jezus zelf. Hij haalt fel uit naar de Farizeeën die bekend staan als mensen die de Wet, de Thora trouw naleven. ‘Jullie maken van de goddelijke Wet een schijnvertoning’, zegt Jezus. Wij vragen ons af, hoe we die woorden van Mozes en van Jezus met elkaar moeten rijmen? Het is goed om te weten dat er tussen de oproep van de 1e lezing en de woorden van het Evangelie enkele eeuwen liggen. De Wet waarvan Mozes spreekt is ontstaan binnen het leven van het volk Israël. Dat volk had blijkbaar een intuïtie, een aanvoelen dat hen onderscheidde van andere volken. Ze ervoeren God als heel dichtbij. Ze zagen God aan het werk in hun eigen lotgevallen. En die ervaring bezielde heel hun leven. Die bezieling, dat besef en dat inzicht deed hen zoeken naar vormen om zich uit te drukken in hun manier van leven. Dat heeft geleid tot regelgeving. Die regels brachten tot uiting wat hen innerlijk bezielde, wat er omging in hun hart en hun gedachten. Het naleven van die voorschriften kwam dus niet voort uit dwang of sleur, maar kwam bij hen van binnenuit. Maar eenmaal in het beloofde land en door het contact met de mensen die daar woonden ebde die oorspronkelijke bezieling langzaam weg. De Wet ging een zelfstandig leven leiden. Het inzicht en de bezieling die Mozes en de zijnen hadden geput uit hun contact met God, verschrompelde. En van de levenskunst die Mozes zo had geprezen bleef niet veel over. Wat er overbleef was een enorm aantal regeltjes en voorschriften, maar de geest ervan, de reden waarom ze waren ontstaan raakte in vergetelheid. Men dacht: als we maar precies doen wat de wet voorschrijft, ook in de kleine lettertjes, dan is alles in orde. Maar daar werd natuurlijk niemand echt gelukkig van. Daarbij kwam nog dat men anderen uitsluitend ging beoordelen, niet op hun bedoelingen, maar of ze zich aan de wet hielden. Voor mensen die de wet zo hanteren heeft Jezus geen goed woord over. Huichelaars noemt Hij hen. Ze verdiepen zich niet in de bedoeling van die regels. Het gaat hen vooral om de prestatie, waarmee ze op willen vallen en misschien ook nog opscheppen tegenover anderen.
Zo iets kan ook gebeuren in ons leven: dat we allerlei voorschriften uit de christelijke traditie onderhouden, maar als we ons niet verdiepen in het waarom van die regels en gebruiken, in de bron waaruit ze voortkomen, dan bereiken we nooit het echte leven waarover Mozes en Jezus spreken. Het is dus onze opgave die regels en wetten te toetsen aan de Geest van de Evangelies en andere Bijbelse geschriften, Gerelateerde afbeeldingm.n. de woorden van de Profeten. Wij moeten proberen ze te vertalen voor onze eigen tijd.
In de 1e lezing wordt het volk van God een volk genoemd met levenskunst en levensinzicht. Ze hielden van het leven en ze wisten dat God hun nabij was. En op grond daarvan had dat volk goede voorschriften. Hun gelovig inzicht en hun levenskunst kwamen voort uit hun liefde voor het leven, en uit de ervaring van Gods nabijheid. Wie echter negatief in het leven staat, er zich niet over kan verwonderen en er niet voor kan danken, mensen die er niets van Gods nabijheid in kunnen proeven, kunnen zich misschien wel houden aan de letter van de (goddelijke) wet, maar ze zullen niet doordringen tot de Geest ervan. Hun trouw aan de wet zal hen misschien niet schaden, maar baat zullen ze er ook niet echt van hebben. Als we elkaar iets mogen toewensen, dan is het wel dat het ons lukt om door te dringen tot de kern, tot de Geest van de wet. Dan zullen we naar het woord van Mozes en Jezus al tijdens ons aardse leven ‘bezit mogen nemen van het land dat God ons beloofd heeft’.
Uit de traditie van de Bijbel en het Jodendom hebben we dus de Tien Geboden gekregen; tien basisregels om het vreedzaam samenleven van mensen mogelijk te maken, zoals niet doden, niet stelen, niet liegen, zuinig zijn op je relaties, je niet dood werken e.a. Ook een heiden zal zich in deze basisregels kunnen vinden. Daarnaast bestaan er in het Jodendom nog een ander soort regels. We komen ze bv. tegen in het Evangelie: je vingertoppen wassen voor je gaat eten. Ook in onze dagen zijn er Joden die alleen maar koosjere producten kopen. Er zijn streng gereformeerden die op zondag nooit een ander voor zich laten werken. Het getuigt van een tekort aan respect en begrip de zin van dit soort riten en gebruiken te bagatelliseren. Zo hebben wij misschien de regel om voor de warme maaltijd een kruisteken te maken en een dankgebed uit te spreken. We spreken dan hardop de naam van God uit en herinneren ons eraan dat wij gelovige mensen zijn. En zelfs als wij er niet altijd helemaal met onze gedachten bij zijn: door dat telkens opnieuw te doen, werkt dat door op het niveau van het onbewuste. Zo houden ook orthodoxe Joden zich aan allerlei voorschriften om in het dagelijkse leven God aanwezig te weten. Als wij bv. geen kruisteken meer maken, niet meer bidden, niet regelmatig naar de kerk komen, geen kruisbeeld meer hebben in onze woning, niet met anderen praten over ons geloof of er iets over lezen, dan verdwijnt God langzaam uit ons bestaan, omdat wij aan onze kant het draadje doorknippen.
Uit de Evangelies blijkt dat Jezus zelf zich houdt aan de Wet van Mozes, maar Hij stelt dat de Wet gemaakt is ten dienste van het welzijn van mensen en niet omgekeerd. De wet is nooit belangrijker dan het levensgeluk van mensen. Met zijn stevige repliek roept Jezus de leiders uit Jerusalem op grondig na te denken over de bedoeling van hun wetten en gebruiken . En zo moeten ook wij ons telkens opnieuw afvragen of ons onderhouden van voorschriften en gebruiken ons dichter bij God brengt en bij elkaar. Verdiept het onze relatie of staat het die veeleer in de weg. Werkt het stimulerend of verlammend? Bisschop Augustinus (354 – 430) zegt: ‘Bemin en doe wat je wilt’. M.a.w. Laat de enige wet in je leven de liefde zijn. De liefde die de ander op de 1e plaats stelt en zich voor hem/haar verantwoordelijk weet. Dan word je echt gelukkig. AMEN