Laatste NieuwsPreken

Zondag 11-11-2018: Wanneer hebben wij genoeg om te delen?

By 11 november 2018 No Comments

In de dagen van de profeten en van Jezus vormden de weduwen, samen met wezen en vreemdelingen een uiterst kwetsbare groep. Als een vrouw haar man verloor, had ze geen inkomen meer. Doorgaans had ze geen eigen vrienden- en kennissenkring, omdat alle contacten liepen via de heer des huizes. Viel die weg, dan waren de andere gezinsleden nergens meer. Naast het leed dat de achterblijvende vrouw te dragen had door het verlies van haar partner, kwam de moeilijke omstandigheid dat ze was overgeleverd aan de welwillendheid en liefdadigheid van anderen. Daarom werd iedere gelovige jood in de Wet voortdurend gewezen op zijn plicht weduwen en wezen niet aan hun lot over te laten, maar zich metterdaad om hen te bekommeren.
Vandaag horen we in de lezingen dat twee van die vrouwen door hun manier van leven en van geven dicht bij God stonden. Ze gaven beiden het laatste wat ze hadden. Ze durfden risico’s te nemen. Jezus heeft voor dat soort mensen een grote bewondering. Toch gaat het vandaag niet in de eerste plaats over hen, maar over de schriftgeleerden, althans sommigen onder hen Voor hen waarschuwt Jezus zijn leerlingen. Hij zegt dat ze graag in fraaie kleren rondlopen om zich te onderscheiden van minder geleerde mensen. Voorts flaneren ze graag op de markt om van alle kanten begroet te worden. Ze zijn belust op de voornaamste zetels in de synagoge en nemen graag een ereplaats in bij de maaltijden. Voorts komen ze onvoldoende op voor de gezinnen van de weduwen, maar verrichten wel voor de schijn lange gebeden. M.a.w. hun doen en laten is vooral uiterlijk vertoon.
In dit verband is het interessant te weten dat Marcus zijn Evangelie vooral heeft geschreven voor de christenen in Rome. Marcus wist dat het in die wereldstad er vooral om ging dat je gezien werd. Je moest jezelf promoten om een goede positie te krijgen. Hij is bezorgd dat de christenen ook besmet raken met dat virus en dat in hun dagelijks leven het uiterlijk en de schijn belangrijker worden dan het innerlijk en de normen en waarden waar het in het christendom om gaat. Hij is bang dat de christenen in Rome de schijnwerpers gaan zoeken zonder waar te maken wat ze met de mond belijden.
Leven ook wij niet in een tijd waarin er grote waarde wordt gehecht aan hoe je overkomt en hoe je bekendheid krijgt. Marcus is bezorgd dat de christenen van Rome te ver meegaan met die tendens en daarom geeft hij dat verhaal over de schriftgeleerden en die arme weduwe zoveel reliëf. Hij kijkt met de ogen van Jezus die bij de ingang van de tempel is gaan zitten bij de offerkist. Hij ziet hoe mensen daar geld inwerpen ten bate van de tempel en de eredienst. Veel rijke mensen geven veel, maar een arme weduwe geeft ‘ het meest’. Ze offert haar laatste cent, zegt Jezus. Alles waarvan ze moet leven. Hij bewondert het godsvertrouwen dat daaruit spreekt Zou Jezus in deze vrouw misschien zichzelf herkend hebben? Zij geeft a.h.w. zichzelf, alles waarvan ze moet leven en Jezus zal dat straks ook doen.
Afbeeldingsresultaat voor weduwe van sarefatBij het horen van het verhaal van Elia en de weduwe van Sarefat was mijn eerste gedachte: Man, waar is je fatsoen, dat jij aan een vrouw die duidelijk zegt dat haar voedselvoorraad bijna helemaal op is te vragen: ‘Bak van wat je nog in huis hebt eerst een broodje voor mij en breng me dat. Daarna kun je wat klaar maken voor jezelf en je zoon?’ Maar het gaat de schrijver van dit verhaal niet om de vrijpostigheid van de profeet aan de kaak te stellen, maar om de boodschap en belofte die hij heeft namens God. ‘Wees niet bang’, zegt Elia. ‘Tot de dag dat het weer zal gaan regenen zal je meel niet opraken en je oliekruik niet leeg.’ De vrouw geeft gehoor aan die belofte en doet wat Elia haar vraagt. Dan wordt het verhaal sprookjesachtig. Hoe moeten we dat verstaan? Het gaat hier echter niet over tovermeel en een geheime oliebron. Het gaat om de vraag, wanneer wij het aandurven om te vertrouwen op Gods woord en zijn belofte. Ons hoofd is vaak overvol met alles wat we menen nodig te hebben, angst om te kort te komen of er naast te grijpen. Het zit vol met allerlei opvattingen en therapieën, zorgen om er niet bij te horen, trends en vooroordelen. Daardoor wordt ons leven heel ingewikkeld. Waarom moeten wij zo nodig met alle trends meedoen? Waarom moeten we alles hebben wat we bij anderen zien? Waarom moeten wij alles gezien, gehoord, gelezen of meegemaakt hebben om mee te tellen? Is eenvoud niet de grondslag voor wat Jezus noemt ‘het Koninkrijk van God’. Hij maakt duidelijk dat het in dat Rijk niet gaat om godsdienstige topprestaties of om zoveel mogelijk te hebben, geestelijk of materieel. Het gaat om iets eenvoudigs: nl. de bereidheid de naaste wel te doen, mijn brood te delen met wie erom vraagt en daarmee God de eer te brengen die Hem toekomt? Geven van je overvloed is geen kunst, maar Jezus wijst op de weduwe die haar laatste centjes weggeeft. Het is niet ons bezit dat ons meer vertrouwen geeft. Daarom attendeert Jezus op de Wetgeleerden en Farizeeën, die alles goed weten en alles dik voor elkaar hebben. Ze geven wel, maar eten er geen boterham minder om. Ze vertrouwen alleen op hun eigen hebben en houden. De arme weduwe geeft wat ze heeft en dat geeft haar vertrouwen.
U begrijpt: Jezus is er niet op uit om mensen aan te sporen tot naïef en vermetel vertrouwen. Wij moeten met onze talenten doen wat wij zelf kunnen doen. Maar hoe vaak zien we niet dat mensen enkel op safe spelen. Hun toekomst moet absoluut veilig gesteld en gegarandeerd zijn, voordat ze durven geven en delen met wie in nood zijn. De vraag is dan: Wanneer heb je genoeg om te geven en te delen? In allerlei toonaarden zegt Jezus: Wie op God vertrouwt, valt niet weg in een zin- en naamloos niets. Zowel de weduwe van Sarefat als de weduwe in de tempel geven van het weinige dat ze hebben, maar ze vertrouwen dat het goed komt. Immers God draagt mee.Afbeeldingsresultaat voor trapeze vanger Misschien kent U nog het antwoord van de trapezewerker in het circus: Als hem gevraagd wordt hoe het mogelijk is dat hij telkens die gevaarlijke sprongen durft maken, zegt hij: ‘Dat is niet zo moeilijk. Het moeilijkste werk doet degene die mij opvangt. Als ik spring, hoef ik alleen maar mijn handen te openen en de vanger grijpt mij op het juiste moment vast. Laten wij bidden, dat we telkens opnieuw de moed en het vertrouwen vinden om ons hart en onze handen te openen voor God en voor elkaar. AMEN.