18-8-2019: Maria Tenhemelopneming 2019.

By | Preken

Lezingen: Apocalyps 11, 19a;12,1.3-6a.10ab; 1Korintiërs 15, 20-26; Lucas 1, 39-56.

Zoals haar zoon Jezus op zíjn bestemming is gekomen, zo is ook Maria, zijn moeder, op háar bestemming gekomen. Wij, als katholieke geloofsgemeenschap, vieren ons geloof tijdens ons samenkomen op het feest van Maria Tenhemelopneming.  Wie vieren niet alleen Maria, want het feest heeft ook zijn betekenis voor ons eigen bestaan. Zoals Jezus en Maria door hun god- en mensengewijd leven op hun bestemming zijn gekomen bij God, zo mogen wij erop vertrouwen dat ook wij na een toegewijd leven op ónze bestemming komen. Maar, we houden altijd voor ogen, dat aan Maria’s  Tenhemelopneming een heel leven vooraf is gegaan van trouw aan haar opdracht. En die opgave van haar leven was ‘moeder te zijn van een bijzondere zoon, gezalfde van God. Op het eerste gezicht eindigde diens leven heel tragisch. Hij, goede mens bij uitstek, stierf als een misdadiger de dood aan een kruis. Moeder Maria stond aan de voet van dat kruis. Het moet voor haar een onvoorstelbaar pijnlijke ervaring zijn geweest, haar eigen kind, gestalte van Gods goedheid, aan een kruis te zien sterven. Het was Maria overigens al eerder voorspeld, dat zij het niet gemakkelijk zou krijgen. Dat werd haar verteld toen zij met haar man Jozef naar de tempel trok in Jeruzalem, om hun kind aan God toe te wijden, zoals dat toen traditie was. De oude Simeon, die in Jezus de lang verwachte Messias, mens van God zag, voorspelde haar dat ze het zwaar zou krijgen: ‘een zwaard van droefheid zou haar ziel doorboren’. Dat Maria dat lot niet uit de weg is gegaan, maar het heeft aanvaard en opgepakt, dat is haar grootheid. Ze bleef trouw aan haar levensopdracht, ook als ze het niet allemaal begreep en wat het haar ook kostte. Die trouw was er bij haar in alle omstandigheden, in het gewone werk van alledag tot het vergezellen van haar zoon en diens leerlingen als ze onderweg waren. Onze bewondering voor Maria kan nog gevoed worden door haar sociaal gedrag, waarmee ze familielid Elisabeth, zwanger evenals zij, te hulp schoot. Maar ze reageerde ook attent, toe het bruidspaar te weinig wijn had ingeslagen en zij haar zoon waarschuwde. Dat alles beleefde Maria in nauw verband met God, voor haar geen verre God, maar een nabije, die zich over haar, in al haar bescheidenheid, had ontfermd. God was voor haar degene die nabij wilde zijn aan arme en behoeftige mensen. Voor Maria had God niet veel op met degenen die verzadigd waren door macht en rijkdom, zonder oog te hebben voor hun armere medemensen.

 

 

Het feest van de tenhemelopneming van Maria is van betekenis voor ons. We kunnen ervan leren hoe we zelf kunnen omgaan met onze eigen levensopdracht in trouw en overgave, ook als het ons het nodige kost, en als we lijden aan het leven. We kunnen daarnaast uit Maria’s tenhemelopneming moed en vertrouwen putten op het bereiken van onze bestemming bij God, na ons leven met zijn hoogte- en dieptepunten, met zijn vreugde en te dragen kruis, in trouw volbracht te hebben. Maria Tenhemelopneming is een bemoedigend en ons  ondersteunend feest. AR

Meneer Pastoor schrijft………..

By | beschouwingen

BEZIG OP AARDE

Een paar jaar gelezen las ik een Duits boek waarvan de auteurs zich bezig hielden met datgene wat het leven van mensen vult en zin geeft. Ze vroegen zich af of geloof en kerk daarin een rol spelen. Ze legden er de nadruk op dat wij ‘geen ander leven hebben dan het concrete leven van alle dag op onze aarde’. Dat zinnetje is in mijn geheugen blijven hangen. We zijn mensen van deze aarde, leven in de tijd en omstandigheden van nu. We zijn geen bovennatuurlijke wezens. We zijn van hier en leven ons bestaan van alledag met onze mogelijkheden en beperkingen. We zijn partner van deze man of vrouw, we horen thuis in dit gezin, volgen een of andere opleiding,  zijn aan het werk, vullen ons maatschappelijk leven en onze vrije tijd en hebben onze reële en virtuele contacten. We staan aan het begin van onze levensloop, zijn er al een stuk in onderweg of neigen naar het einde. Met nadenken, piekeren, plannen, met doen en laten vullen we onze dagen. Het is goed om te erkennen dat wij in de volle zin  leven op deze aarde. Hier moeten we de zin van ons leven vinden. Maar in de vrijheid die we hebben om ons leven te beamen en keuzes van invulling te maken, speelt ook verantwoordelijkheid mee voor wat we doen en laten. We worden goed en kwaad gewaar, liefde en haat, aantrekkingskracht en afkeer, oorlog en vrede, beleving van eigenbelang en van solidariteit met elkaar, misbruik en zorgvuldigheid van omgang, oorlog en vrede, macht en machteloosheid, kracht en kwetsbaarheid.  Dat alles terwijl we bezig zijn op aarde, op zoek naar zin, op zoek naar geluk. We ondergaan en maken mee. We hebben het leven zelf in handen, zo lijkt het, maar ook niet. ‘Het leven’ wordt als groter ervaren dan wij zelf. Velen ontmoeten  daarom God, in hun ‘bezig zijn op aarde’, dat zij ervaren als ‘gekregen’. A. Reijnen, pastoor

Ook degene, die het slecht getroffen heeft en ook de mens op het verkeerde pad verdient als mens erkend te worden. Ook ‘de gekooide mens’ in de penitentiaire inrichting (uitdrukking van aalmoezenier Achiel Nys) is een mens. Waarschijnlijk staan we daar niet iedere dag bij stil. Ondervinden we voldoende  elkaars erkenning, hulp, troost en ondersteuning  zoals we dat minstens bij tijd en wijle ook voor onszelf verlangen? En als het over godsdienstigheid gaat, zouden we niet God kunnen ontdekken in dit, ons dagelijkse leven: in de verwondering over wat we hebben ontvangen, hoe we gegroeid zijn; hoe ons leven verloopt. En zoeken we in te vullen wat het betekent om een gelovige mens te zijn, vinden we ‘Gods wil’ niet precies in het vervullen van onze dagelijkse opgaven? Ook christengelovigen zijn mensen van deze aarde. Wij delen ons menselijk levenslot met alle andere mensen. We geloven dat we mensen van God zijn als we op de juiste manier, d.w.z. met liefde en overgave en in trouw, onze dagelijkse  opgaven vervullen . Oos ‘Herrgöttje’, met ons als een mensenzoon op onze aarde, heeft niet anders gedaan. Hij heeft er alles voor over gehad en zit nu aan ‘Gods rechterhand’. Bemoedigend, toch?  AR

zondag 11-8-2019: 19e zondag door het jaar.

By | Preken

LOOP JEZELF NIET VOORBIJ; MAAK EEN SCHAT IN DE HEMEL.

‘Maak voor jezelf een schat in de hemel!’ Wat bedoelt Jezus, als Hij dat tegen zijn leerlingen zegt? Heel lang hebben mensen de hemel beschouwd als een ruimte die tegenover de aarde staat. Als mens moest je de aarde en aardse genoegens negeren en je richten op de hemel, het hiernamaals.  Als Jezus  spreekt over de hemel, doelt Hij niet op een plek ergens anders, waar je na je dood hoopt te komen. Hemel is een ander woord voor het Rijk van God, dat hier op aarde komt, als wij ons verbonden weten met elkaar en met Gods schepping. In wezen zegt Jezus: Laat je hart niet beslag nemen door zorgen om materiële zaken, om jezelf en de toekomst. Richt  je aandacht en je hart op die grote, vrije ruimte van Gods koninkrijk. Richt je op een geluk dat niet vergaat en dat je vindt in het hier en nu. Het wordt je geschonken door de hemelse Vader als een schat. Zijn Rijk is er al. Wij leven er al in. U zult zeggen: ‘Nou, daar merk ik bitter weinig van, als ik al die ellende in de  wereld zie: aanslagen, armoe, vluchtelingen, oorlogen. Toch is het er al, dat Rijk van God, zoals de zon er altijd is. Op bewolkte dagen blijft ze voor onze ogen verborgen, maar af en toe breekt ze door. Juist in donkere tijden merken we die straaltjes van licht het meest op: gewone menselijkheid, die uitstijgt boven de materie. Dat licht,  die signalen van menselijkheid merk je op, als je aandacht hebt voor je schat. Het is niet eenvoudig, ja veeleer een kunst te leren herkennen wat er hoort bij Gods koninkrijk. Waar kun je aan denken als Jezus spreekt over die schat in de hemel? Misschien in de 1e  plaats aan verbondenheid met de schat in jezelf. Als aan bisschop Tiny Muskens gevraagd wordt: ‘Wanneer voelt U zich het meest gelukkig? ‘, dan is zijn antwoord: ‘Als ik me helemaal in mijn element voel; als ik diep van binnen weet: dit hoort bij mij, bij wie ik ben, bij wat ik kan.’ Ik denk  dat dit voor ons herkenbaar is: een gevoel van diepe voldoening, veel dieper dan de vreugde die de aankoop van iets materieels ons kan geven. Je in je element voelen is een schat die onbetaalbaar is en die niemand ons kan afpakken. Zo’n schat kan ook je werk zijn, waar je blij mee bent, omdat je er je talenten in kwijt kunt. Het kan je gezin zijn of een liefhebberij waar je je met hart en ziel aan wijdt.
Een ander voorbeeld: Een vluchteling vertelt dat hij als kind van acht met zijn ouders in Nederland kwam wonen. ‘In het begin was dat zwaar’, zei hij, ‘maar we werden goed opgevangen door een ouder echtpaar. Elke week mochten we bij hen een keer komen eten We keken daar naar uit. Mijn ouders kregen van hen allerlei informatie en goede raad. We deden spelletjes en leerden de taal. We waren even weg uit dat asielzoekerscentrum. Het heeft ons zo goed gedaan. Die mensen weten maar half hoeveel ze ons hebben gegeven’. Hij koesterde die ervaring van onbetaalbare goedheid als een blijvende schat die door geen mot kan worden aangetast. M.a.w. het zijn ervaringen die je kunnen overkomen. Je kunt ze niet kopen, maar ze zijn van zo onschatbare waarde dat je ze nooit vergeet. Je kunt er hooguit attent op zijn.  Over dat attent en waakzaam zijn gaat het in het 2e deel van het Evangelie: ‘Sta klaar, doe je gordel om, houd de lampen brandend’, zegt Jezus. Je kunt ook zeggen:  Je moet het licht wel wìllen zien. Je moet er een antenne voor ontwikkelen. Zorg dat je Gods licht niet dooft. Hoe makkelijk kunnen we nl. in deze vaak donkere wereld vervallen in cynisme of agressie. In de parabel vertelt Jezus van een dienaar die slordig, niet waakzaam is en zelfs geweld gebruikt tegen zijn ondergeschikten. Hij vervalt in immoreel gedrag. Dan dooft het licht en word je een onmogelijk mens. Je ziet dan ook de momenten van vreugde en menselijkheid niet meer. Waakzaamheid, rust,  jezelf niet voorbij lopen: het zijn voorwaarden om de schatten op je levensweg te herkennen en ze als geschenken te ontvangen.
Als we alles uit het leven willen persen, alles willen meemaken en voortdurend  op de vlucht zijn voor de stilte, bang voor het alleen zijn, op de vlucht voor ons zelf, hoe zullen we dan ooit de verborgen schatten van Gods koninkrijk herkennen?  Veronderstel dat God ons wil aanspreken, dan moet Hij met spijt in het hart zeggen: ‘Die mens is nooit thuis. Die komt nooit in zijn eigen hart!’ Veronderstel dat Hij ons wil verrassen met  de glimlach van een medemens,een mooi vergezicht, een wei met veldbloemen of prachtige zonsondergang. We zouden het niet eens merken. Veronderstel dat Hij ons nodig heeft om een mens met diep verdriet op de been te helpen. Hij zal vergeefs bij ons aankloppen. Wij horen en merken het niet op. Dat bedoelt Jezus als Hij zegt: ‘Houd je lendenen omgord’. Het gaat Hem om onze binnenste kern: onze voelhorens om God te vinden. De middelpunt zoekende kracht in ons: stil durven worden, luisteren en in wat we meemaken peilen naar wat God van ons wil. Wat wij hier in de kerk doen is elkaar herinneren aan Gods beloften. We bidden en zingen samen. We zoeken Jezus te ontmoeten onder de tekens van brood en wijn. En dat alles om te beseffen welke schat ons wordt gegeven, een schat zoveel meer waard dan wat de wereld ons biedt. Jezus zegt ook tegen ons: ‘Wees niet bang en heb vertrouwen. Het koninkrijk word je gegeven. Kijk maar; het is al begonnen. AMEN.

zondag 4-8-2019: 18e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Prediker 2,2; 2,21-29; Kolossenzen 3, 1-5.9-11; Lucas 12, 13-21

Aan onze kant van de wereld hebben we de mogelijkheid om voor een groot gedeelte te bepalen wat we willen. De welvaart van de doorsnee burger is groot genoeg, over onze vrijheid van meningsuiting hoeven we ook niet te klagen, onze keuzemogelijkheden voor de tijd dat we vrij hebben kan er ook best mee door. Dus rekenen we erop, dat we zelf plannen kunnen maken en lijnen uitzetten hoe ons leven zal verlopen. Maar helemaal zeker zijn we daar niet van. Dat word je gewaar bij een plotseling sterfgeval, of bij een ongeluk, bij een verlammende ziekte, of voortschrijdende dementie, bij een faillissement waarbij mensen hun baan kwijtraken. Dan ontdek je dat je het leven niet zo maar in handen hebt, maar dat het je ook gegeven is of je overkomt. Een ontworpen scenario kan dan in elkaar storten.

Dan komt de vraag op: hoe ons leven te leiden? Wat is wijs. Zelfs de uitdrukking: ‘een voltooid leven’, neemt de kwetsbaarheid en de eindigheid ervan niet weg.

Het thema dat door de lezingen uit de H. Schrift wordt aangereikt gaat over de betrekkelijkheid van ons aardse leven, van veel waar we ons druk over maken; over de illusie waaraan we kunnen lijden, dat we zelf over het leven beschikken, terwijl het ons gegeven is.

We lazen een stukje uit het Boek Prediker. Het hoort tot de Wijsheidsboeken van ons zogenoemde Oude of Eerste Testament, het eerste deel van onze H. Schrift. Het is geschreven waarschijnlijk in de derde eeuw vóór Christus en klinkt verrassen modern, vooral in de woorden van de Bijbelvertaling van 2004. De wijze auteur van het boek meent dat er veel leegte schuil gaat in al het gejakker en gejaag, in het tomeloos zoeken naar bevrediging van onze verlangens. Tenslotte kan een mens niets meenemen van wat hij allemaal heeft verworven en moeten we alles achterlaten. Gejaag en gejakker maken ons onrustig, laten ons niet stilstaan bij de dingen in dankbaarheid om te genieten van wat we hebben ontvangen. Zelfs echt genieten valt moeilijk. We moeten vooruit naar meer en beter en groter. Dat alles is terug te vinden in de rest van het boek.

Een voorbeeld vinden we nog in de tekst uit het Evangelie uit de lessen van Jezus met zijn leerlingen naar Jeruzalem, vergezeld van leerlingen en vele anderen in een wisselend samenstelling. Het gaat over een investeerder, die zijn geld steekt in het bouwen van schuren voor zijn overvloedige oogst en denk daarna onbekommerd te kunnen leven van zijn bezit. Hij is het besef kwijtgeraakt van de betrekkelijkheid van het leven, dat ons gegeven is.

Hij overlegt en maakt plannen, spreekt zichzelf toe alsof hij het zelf allemaal voor het zeggen heeft. Zet daar heel zijn toekomstverwachting op in.

De conclusie: zo gaat het met iemand die rijkdom verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God. Bij Hem word je rijk door de blik niet uitsluitend te richten op jezelf maar oog te houden voor de vraag: wat ik doen voor de ander; hoe kan ik leven en goed met de ander delen, vandaag en morgen en overmorgen. Zo iemand kan rekenen op grote rijkdom me eeuwigheidswaarde bij God. Amen. AR

zondag 28-7-2019: 17e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Genesis 18, 20-32; Kolossenzen 2, 12-14; Lucas 11, 1-13

Mijn Vlaamse medebroeder, Achiel Neys overleden in 2013 was gevangenisaalmoezenier in Leuven en criminoloog, misdaaddeskundige. Hij maakte studie van hoe een mens tot  misdaad komt, de achtergronden van de misdadiger, de betekenis van milieu en opvoeding, de plaats in de samenleving of het mankeren daarvan.  Hij had een groot invoelingsvermoge. Hij bleef de gedetineerde beschouwen als mens, als een van ons. Degenen die buiten de gevangenis verbleven waren daarmee niet superieur aan die er binnen waren. Achille was een man niet van goedpraten, maar van mededogen. De Franssen zeggen: ‘alles weten, is alles vergeven. D.w.z. als men alle achtergronden kent, alle omstandigheden, het klimaat waarbinnen en de manier waarop men is opgegroeid, bagatelliseert men de misdaad niet. Die blijft men afkeuren. Men komt echter wel tot vergeving. Degene die fout zat krijgt de kans van een nieuw begin. Op die manier is God met de mens, met ons, omgegaan door de geschiedenis heen.  Hij vergeeft zijn mensen hun heimelijk en openlijk kwaad en geeft de kans van een nieuw begin. Er moet wel basis zijn waarop dit mogelijk is. En zelfs die basis wordt door God gelegd.  Van God komt de spijt om de ongerechtigheid en het verlangen anders te gaan leven.  In Sodom moesten er enkele goede mensen zijn, die levend in gerechtigheid voor de slechteriken teken zouden zijn van Gods goedheid. Ze zouden basis bieden aan God om de stad te sparen. Abraham, vader van alle gelovigen genoemd, wist dit resultaat bij God te bewerkstelligen, begaan als hij was met mensen van ons soort. Welnu als gelovigen worden we uitgenodigd voor elkaar zo goed als God te zijn. Dat vraagt erom dat we ons keren tot Gods opvattingen, zoals we die vinden in de H. Schrift.
In onze mensenwereld gaat het in het strafrecht er anders aan toe. Daar gaat het om het herstel van de rechtsorde en de bescherming van de samenleving tegen mensen die kwaadwillend zijn en/of lijden aan een de samenleving bedreigende  persoonlijkheidsstoornis.  Dat herstel van de rechtsorde en de genoegdoening van de benadeelden gebeurt door straf en boete, in een aantal landen zelfs door het tenuitvoerbrenging  van de doodstraf. Maar ook de gestraften hebben rechten. Degenen, die hun straf hebben uitgezeten hebben (formeel) het recht weer een plaats in de samenleving in te nemen. Ze komen echter meestal niet af van wat ze in het verleden hebben misdaan en dragen het levenslang met zich mee. Afkeer van degene die fout was wint het dan vaak van mededogen en vergeving.
Verhalen, zoals in de H. Schrift vandaag, pleiten juist voor mededogen, voor vergeving, voor het krijgen van nieuwe kansen. De verhalen uit de H. Schrift ontkennen niet de ernst van het kwaad, integendeel. Het leidt tot dood en verderf. Maar God verschijnt daar toch ook als de barmhartige. Kijk maar naar het Onze Vader. Jezus leert ons tot God te bidden als tot onze Vader We vragen Hem dat Hij ons vergeeft, nota bene zoals wij vergeven aan die ons iets schuldig is. Zo groot moet onze vergevingsgezindheid zijn, dat God zijn vergevingsgezindheid daaraan kan meten. Het Evangelie van Lucas vertelt daarna een verder verhaal van Gods goedheid, maar weer in vergelijking met ons. Hij is als een vriend die een lastige vriend, die hem op een ongelegen tijdstip om hulp komt vragen, toch tegemoet komt. Hij is als ouders, van welk kaliber ook, die goed voor hun kinderen zorgen. God zorgt vooral voor ons door ons zijn Geest te schenken, die ons helpt te zijn en te doen zoals door God bedoeld. Een Geest die ons vormt tot mensen die elkaar tegemoet komen; mensen, die de afkeuring van het kwaad ook aanvullen met mededogen, vergeving en verzoening. Die eigenschappen leiden uiteindelijk tot genezing en verbetering van leven, eerder dan de onverbiddelijke eis tot gerechtigheid zonder mededogen. Mogen we voor elkaar zo goed zijn als God. Amen AR

 

Meneer pastoor schrijft …….

By | beschouwingen

‘IK DENK VAAK TERUG AAN VROEGER’, zei de man….

‘Dag Pater’, ‘pastoor bedoel ik’, verbetert hij zich onmiddellijk. ‘Ja, ik denk vaak terug aan vroeger’. Toen spraken we u aan met ‘pater’. De man die dat zegt is, in mijn ogen, zo oud nog niet. Hij zal tegen de vijftig lopen, maar evengoed praat hij al van ‘vroeger’. Ik maak hem duidelijk dat ik zowel naar het woord ‘pater’ luister, maar ook naar het woord ‘pastoor’ en naar het woord ‘meneer’. Het hangt van de situatie af hoe ik word aangesproken. Maar terug naar het onderwerp. Over ‘vroeger’ heeft men het vaker. ‘Dat waren nog eens tijden’…… wordt gezegd. Ga je daar wat nader op in dan hoor je dat het leven vroeger overzichtelijker was; dat men duidelijker wist waar men aan toe was; dat (bijna) iedereen er gelijke waarden en normen op na hield; dat men zijn grenzen kende; dat ‘er nog gezag’ was; dat men tijd en aandacht had voor elkaar. Als je dan vraagt: zou je terug willen naar het welvaartspeil van vroeger dan krijg je als antwoord ‘toch liever niet. Ik heb een goed salaris. Ik kan me heel wat meer permitteren dan mijn ouders, die helemaal leefden voor hun (grote) gezinnen en er niet aan dachten op vakantie  te gaan.  Inderdaad, onze welvaart is aanzienlijk gestegen, onze ruimte van denken en leven daarmee ook. We zijn, in vergelijking met vroeger, veel  uitgebreider geïnformeerd over wat er in de wereld gebeurt; we kunnen gemakkelijker in contact komen met anderen. We hoeven m.a.w. het verleden niet te idealiseren. Van de andere kant mogen we ons wel de vraag stellen in hoeverre we (ook) tegenwoordig eerder ‘worden geleefd’ dan dat we ‘van binnenuit leven’. Hebben we het niet te druk om betrokkenheid te zijn op elkaar? In het Evangelie van Marcus staat een woord van Jezus dat (ook) in onze tijd te denken geeft: ‘Wat baat het de mens als hij heel de wereld wint maar zichzelf schade toebrengt, het (echte) leven erbij inschiet’ (hst. 8 ,36)?’ En dat er nogal wat schade is merken psychiaters en GGZ-mensen. Ze ervaren, dat veel mensen ‘worden geleefd’. En is agressief gedrag ook niet ‘vaak een uiting van ‘overspannen’ leven?  Dat geeft te denken.  A. Reijnen, pastoor

AANDACHT VOOR ‘MATIGHEID’.

In een publicatie  over de achtergronden van seksueel misbruik en intimidatie en hoe met deze verschijnselen moet worden omgegaan, is (hernieuwde) aandacht voor een oude deugd, die van de ‘matigheid’. Daarbij wordt erop gewezen dat die matigheid geldt voor meerdere terreinen van ons bestaan. Heleen Zorgdrager (Amsterdam) meent, dat we niet weten hoe ons te verhouden tot onze verlangens/instincten op het gebied van de seksualiteit , maar ook van eten en drinken, van erkenning, van macht, van geld en welstand. De vraag is hoe we een leven van evenwicht en matiging kunnen leiden zodat  het ingaan op onze verlangens/ instincten werkelijk bijdraagt aan ons menselijk welzijn. Je zou het misschien in onze tijd niet verwachten, maar met anderen is zij overtuigd dat gebed, rituelen, praktische oefeningen bij evenwicht en matiging behulpzaam kunnen zijn. Zij leiden af van het ‘Ik’ en ‘maken het bewustzijn open voor  de ander/Ander. Het verlangen naar bezitten en heersen wordt in regie genomen,  misbruiken worden tegengegaan.  De matigheid behoort tot de 4 deugden die een scharnierfunctie hebben m.b.t andere deugden. Het zijn naast ‘matigheid’ ook ‘voorzichtigheid’, ‘rechtvaardigheid’ en ‘sterkte’. De matigheid wordt omschreven als ‘de deugd die de aantrekkingskracht van de genoegens tempert en evenwicht brengt in het gebruik van de geschapen goederen. Ze verzekert de beheersing van de wil over de instincten en houdt de verlangens binnen de grenzen van de betamelijkheid’ .Dat valt te lezen in de katechismus van de katholieke kerk uit 1995. De matigheid helpt om goede mensen te zijn me respect voor elkaar en voor de integriteit van elkaars lijf en goed.  A. R.

WEER AAN DE SLAG.

Enige tijd vakantie, vrij van werk en van het ritme van alledag, hebben ongeveer alle werkenden. Na een (hopelijk) ontspannen vakantie gaan ze weer met frisse moed aan de slag. Ze leveren door hun werk een bijdrage aan onze welvaart, aan onze vorming of aan ons menselijk welzijn. Ze verdienen een salaris maar ook respect voor hun inzet. Toch valt ook te lezen dat tussen de 20 en 25 % van degenen, die vakantiegeld ontvangen, het niet (kunnen) besteden aan vakantie.  Ze moeten het uitgeven aan de betaling van hun schulden of aan de koop van noodzakelijke goederen. Hopelijk vinden ze toch ook enige ruimte voor ontspanning. Ook zij moeten immers na hun  ‘vakantie’ weer aan de slag. Onze kerkbesturen wensen iedereen, die na de ‘vakantie’ weer aan de slag gaat, een goed en zegenrijk jaar voor henzelf en voor wat betreft hun bijdrage aan het welzijn van de samenleving. AR

WERKEN AAN EEN BELEIDSPLAN.

Waar moet het met onze parochies naartoe? Waartoe dienen ze? Wat zoeken en vinden  gelovigen er aan en wat mogen parochianen van elkaar verwachten? Waar moet een beleidsplan de nadruk op leggen om het parochieleven overeind te houden en te verlevendigen? Een groepje parochianen van de parochies van Morgenster buigt zich over bovenstaande vragen en hoopt voor het einde van dit kalenderjaar een ontwerp klaar te hebben, dat aan de cluster Morgenster en de parochies voorgelegd kan worden. We zijn daarbij enigermate afhankelijk van wat er in bisdom en dekenaat gebeurt, welke ontwikkelingen er plaats vinden in het pastoresbestand. Het idee dat onze paus Franciscus benadrukt is dat de kerk, als eigendom van onze Heer, gevormd wordt door heel het volk van God, samen onderweg. In iedere gelovige en in de gemeenschap als geheel leeft Gods Geest. Ieder gelovige heeft recht gehoord en gezien te worden. Iedere gelovige heeft eigen talenten die een bijdrage kunnen  leveren aan de opbouw van het geheel. Dat vraagt van de kerkelijke leiding het vermogen tot luisteren, tot aan het woord laten komen, tot onderscheiding van de geesten, tot ondersteuning van ieders talenten. Het vraagt van de gelovigen de bereidheid de geloofsgemeenschap naar talent en vermogen van dienst te zijn, deel te nemen aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het geheel. Werken aan een beleidsplan betekent werken aan de vormgeving van bovenstaande visie, de paus Franciscus na aan het hart ligt. De vraag ligt op tafel hoe we ons geloven samen moeten vieren en hoe vaak? Hoe we in gesprek en samenkomst ons geloof naar voren kunnen brengen en verdiepen? Hoe we oog krijgen voor  elkaars behoeften en elkaar  behulpzaam kunnen zijn?  Hoe we de band met elkaar als ‘Gods familie’ waar we van op aan kunnen sterker maken? Dat hebben we allemaal nodig bij het onderweg zijn ‘samen als Gods volk’. A. Reijnen, pastoor

PATER REVERMANN PLOTSELING GESTORVEN.

Dat was een consternatie woensdag 17 juli in ons klooster in Wittem: pater Paul Revermann, Duitse medebroeder, die zich het Nederlands op een voortreffelijke manier had eigen gemaakt, plotseling in elkaar gezakt  en overleden, hartstilstand werd geconstateerd. Langzaam begon het gemis voor de pastoraal in Wittem door te dringen. Pater Revermann was vooranger in de vieringen, predikant, vaak organist, gezocht voor gesprekken in spreekkamer en voor biechtgesprekken. Zo ndig vervanger in onze praochies.  Hij leidde in het klooster een wat stil  en teruggetrokken leven, maar was de aanwezige  voor wie hem nodig hadden. ‘Wittem’ en omgeving is hem grote dak verschuldigd. Dat werd ook duidelijk in de goed bezochte avondwake op dinsdagavond 23 juli en tijdens zij  uitvaart in Bonn op 24 juli, j.l. Moge hij in God de vrede vinden waarnaar hij heeft uitgezien. Namens de parochies Wahlwiller, Nijswiller en Eys. A. Reijnen, pastoor

Zondag 21-7-2019: 16e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen Genesis 18, 1-10a; Kolossenzen 1, 24-28; Lucas 10, 38-42.

Aan de zorg voor ons leven besteden we alle aandacht. We willen onze tijd tussen geboorte en dood graag zo zinvol mogelijk doorbrengen. We werken ervoor, verzorgen onszelf. Als sociale wezens géven we aandacht en hebben we aandacht nódig. Daartoe maken we van de ene kant onszelf ook nuttig en profiteren we van de andere kant van wat anderen allemaal voor ons doen.  We rijden op wegen, die we niet zelf hebben hoeven aan te leggen; we hoeven maar naar de supermarkt t gaan en vinden er een keur van levensmiddelen door anderen gemaakt en ingepakt. We hebben aan onze kant van de wereld de zorg voor ons leven goed voor elkaar, al blijven er nog altijd mensen onder ons die buiten de boot vallen; en zijn er ook nog die bewust of door ziekte niet deelnemen aan het werkzame leven, dat ons leefsysteem in stand houdt. We kunnen dankbaar zijn aan het adres van de generaties vóór ons en aan het adres van de mensen van nu voor onze mogelijkheden en garanties van leven op dit moment.

De Bijbelteksten van vandaag  benadrukken in ons werkzame en zorgende leven de  waarden van de gastvrijheid en van het luisteren naar de ander/Ander.  Abraham, een nomade, ervaart in de moeilijke en karige  omstandigheden van zijn soort leven aan de rand van de woestijn gastvrijheid als een heilige plicht. Gasten zijn niet zomaar voorbijgangers, zoals op een camping mensen gaan en komen. Gasten die aan Abrahams tent aanlanden zijn voor hem bijzonder, niet alledaags; ze zijn hem heilig , in de drie mannen ziet hij God aanwezig. (Het lijkt wel de Drie-eenheid, God in 3 gestalten) Hij heet hen welkom en doet alles om hen goed te ontvangen; hij geeft wat hij heeft, onbaatzuchtig. Hij is niet gastvrij om er iets voor terug te krijgen. Hij weet ook niet of hij zijn gasten nog ooit zal zien. Maar een dergelijke levenshouding wordt van Godswege beloond. Abraham luistert naar wat zijn gasten te vertellen hebben.  Het volgend jaar, bij een nú door hen aangekondigd nieuw bezoek, zal het al bejaarde echtpaar de zo verlangde zoon hebben als stamhouder. Abraham, ook genoemd de vader van alle gelovigen, ervaart datgene wat hij meemaakt niet als iets gewoons. Het kan zijn dat de rust en de stilte in het leven als nomade hem ontvankelijk maakt voor het bijzondere in het leven.
Hier sluit het Evangelieverhaal op aan. Jezus is in het Evangelie van Lucas met zijn leerlingen, en een soms grotere, soms kleinere groep mensen, op tocht naar Jeruzalem. Onderweg onderricht hij en maken hij en zijn metgezellen van alles mee. Zo ook bij de zussen Marta en Maria bij wie Jezus met zijn metgezellen aanlandt. Gastvrijheid spreekt ook voor de zussen vanzelf. Nu zijn er, zoals we weten bij het ontvangen  van gasten twee dingen belangrijk: de zorg dat hen niets te kort komt; maar ook de belangstelling voor hen als persoon; het luisteren naar wat ze te vertellen hebben over hoe ze het maken, hoe het leven voor hen verloopt en wat er belangrijk voor hen is. En luisteren is ook in ónze, overdrukke tijd ontzettend belangrijk. Er is, ook bij ons, een grote behoefte om gehoord en gezien te worden. Maar de mogelijkheid tot luisteren loopt gevaar te worden weggenomen door drukte, door lawaai en doordat iedereen tegelijk aan het woord wil komen.

Aan zorg dat het gasten aan niets ontbreekt is niks mis, het is de kant die Marta behartigt, haar activiteit; Maria luistert, is ontvankelijk voor wat de ander, in dit geval Jezus, te vertellen heeft. En de ander, daar gaat het om. Na de woorden van Jezus dringt het waarschijnlijk ook tot Marta door, dat wat zij doet, ook te maken heeft met aandacht voor de ander. Echter het luisteren, zoals Maria dat doet is daarbij nodig. Dat de meesten van ons materieel niet te kort komen en daardoor ook gasten goed kunnen ontvangen mag  ons helpen tijd vrij te maken voor het luisteren naar de ander. We kunnen ervan leren. Amen. AR.

Zondag 14-7-2019: 15e zondag door het jaar.

By | Preken

Lezingen: Deuteronomium 30, 10-14; Kolossenzen 1, 15-20; Lucas 10, 25-37.

In onze samenleving met zijn vele culturen, godsdiensten en levensopvattingen is de christelijke kijk op het leven hoe langer hoe meer op de achtergrond aan het raken. Laat staan dat men die kijk op het leven zo belangrijk acht, dat men zijn leven inzet op het promoten ervan. Duidelijk wordt het o.a. daaraan dat kandidaten voor het priesterschap, het diaconaat en het leven in een kloostergemeenschap nauwelijks nog bij mensen van hier te vinden zijn. Ons bisdom heeft in Cadier en Keer een grootseminarie met kandidaten van alle mogelijke landen van de wereld maar niet van hier. Ze studeren in  Rolduc met een aantal mensen uit India, die hier de taal leren om een aantal jaren ons bisdom als priester van dienst te zijn. Kloosterlingen vergaat het net zo.  De zusters van Heerlen, op hun hoogtepunt met 2000 leden zijn u nog met geen honderd meer. Redemptoristen van Wittem op hun hoogtepunt met zo’n 400 leden in 15 eigen kloosters en retraitehuizen in Nederland (buiten die in Brazilië en Suriname) hebben na verkoop van Wittem geen eigen huizen meer. Is dat pijnlijk? In zekere zin ja, vooral voor degenen, die hun  hart verpand hadden aan de vaan eeuwenoude traditionele katholieke gewoonten en gebruiken. Maar er is ook een andere kant. Dat wat we meemaken nodigt n.l. uit tot bezinning? Gods wegen, leerden we vroeger al, zijn (vaak) niet onze wegen. We ontdekken nu ook (opnieuw soms) andere dingen in de H. Schrift, omdat de omstandigheden nu anders zijn dan vroeger. We lezen onze heilige boeken anders. We leven nu, bijvoorbeeld met de vraag hoe we de verschillende culturen en levensopvattingen in ons land moeten waarderen. Hebben de mensen die geen christen zijn het allemaal bij het verkeerde eind? Of kunnen ook zij laten zien, dat ze kinderen zijn van God? Vinden we daarvoor aanwijzingen in de H. Schrift?  Vandaag vinden we een voorbeeld.

De mensen uit Samaria werden door die van Judea als ketter beschouwd die zich niet aan het ware geloof hielden. En juist een van hen troeft in waarachtige naastenliefde de bedienaars  van de tempel in Jeruzalem af, een priester en een leviet. Zij lopen met een grote boog om de berooide en gewonde man heen. Het was hen met al hun vroomheid te lastig om de gewonde man te helpen. Jezus geeft aan dat een dergelijke uiterlijke vroomheid te kort komt. Hij heeft is zijn verkondiging en manier van leven aangegeven, dat de liefde tot God, het eerste gebod, gelijk moet zijn aan het tweede, de liefde tot de naaste. Die geboden liggen verankerd in de mens zelf, in zijn geweten. De eerste lezing van vandaag geeft dat aan. Die is genomen uit het laatste van de 5 boeken waarin Mozes aanwijzingen geeft aan zijn mensen. Zijn vijf boeken samen vormen de zogenoemde Wet van Mozes. Die zegt: Gods geboden zijn niet veraf en je hoeft ze niet ver te zoeken,  maar ze liggen binnen ons bereik. ‘Het woord (der geboden) is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen’, zegt de tekst. Ieder mens voelt van binnen aan aan dat iemand in nood geholpen moet worden. Hoe dat gebeuren moet wordt er niet bij gezegd. De Samaritaan doet dat overeenkomstig zijn mogelijkheden.
Wij overeenkomstig de onze, zowel de grote als de kleine noden. Het grote armoede- en vluchtelingen vraagstuk in onze wereld moeten tegemoet getreden worden met onze mogelijkheden, politiek met economisch. Landen in oorlog met vredesonderhandelingen door landen die ertoe in staat zijn en bevoegd door de internationale gemeenschap. Voor mensen in nood moeten heb- en gemakzucht en eigenbelang wijken. We zijn zelf menigmaal beperkt in onze mogelijkheden. Willen we echter werkelijk godsdienstig zijn, dat zullen we die beperkte mogelijkheden evengoed om mensen in nood te helpen. Laten we daarbij ook niet vergeten de goedheid te erkennen die zichtbaar is in degenen, die niet qua cultuur of godsdienst bij ons horen. In hun medemens nabij-zijn staan zij dicht bij God. AR

Zondag 7-7-2019. De oogst is groot……

By | Preken

Als mensen met de auto op vakantie gaan nemen ze vaak zoveel mee dat het lijkt op een verhuizing. Wie met de fiets gaat, zal zijn bagage beperken. Teveel bagage belemmert immers het fietsen. Wie met een rugzak op pad gaat, zal nog minder meenemen en beperkt zich tot het hoogstnodige. Wij sjouwen in ons leven vaak heel wat bagage mee. Ik denk dan niet alleen aan materiële zaken, maar ook aan alle regels en voorschriften,  gewoontes en opvattingen, waarden en normen. Vaak zijn we zo vol, dat er geen ruimte meer is om ons open te stellen voor nieuwe dingen, andere culturen en ideeën. Veel bagage – letterlijk en figuurlijk – lijkt makkelijk, maar je hebt er vaak meer last van dan nut. Je moet voortdurend alert zijn en bent bang iets kwijt te raken. Door steeds op je hoede te zijn heb je minder tijd om mensen te ontmoeten, te genieten van spelende kinderen en de wonderen van de natuur. Kortom minder tijd om rust en vrede te vinden, te genieten van je vrijheid en het gezelschap van mensen die je dierbaar zijn.                                      Die bagage komt ook aan de orde, als Jezus in het Evangelie van deze dag 72 mensen op pad stuurt. Eerder heeft Hij al zijn twaalf apostelen erop uit gestuurd om mensen te vertellen van het goede nieuws van Gods koninkrijk. Maar blijkbaar is dat niet voldoende. Heel de wereld mag delen in de vrede en vreugde van dat koninkrijk. Zijn volgelingen hoeven niet alleen te gaan. Twee aan twee zendt Jezus hen uit. Want wie alleen gaat, is kwetsbaar en raakt vlug ontmoedigd bij tegenslag. Bovendien: het getuigenis van twee is meer waard dan van één. Twee aan twee kun je elkaar aanvullen, bemoedigen en steunen. De leerlingen worden er niet op uitgestuurd om mensen te bekeren of te beleren of voorschriften uit te delen. Ze gaan vrede verspreiden. Hun begroeting en eerste woord moet steeds zijn: ‘Vrede zij met jullie, vrede aan dit huis!’  Stellen die mensen dat niet op prijs:  geen discussie, maar ga gewoon verder.  Eet wat de pot schaft en genees de zieken die je tegenkomt. Biedt een luisterend oor aan mensen die hun verhaal kwijt willen en bemoedig en troost wie teleurgesteld zijn. Jezus zegt: ‘De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag dus de eigenaar van de oogst om arbeiders te sturen’. Heel vaak zijn deze woorden uitgelegd als een oproep priester, zuster, missionaris of broeder te worden. Natuurlijk zijn zulke mensen van harte welkom, maar dat is niet de eerste uitleg van deze uitspraak van Jezus. Eigenlijk zegt Hij gewoon tegen zijn vrienden – en dus tegen ieder van ons – ‘Als je samen optrekt, heb het dan eens niet alleen over voetballen of over het weer. Kijk eens met elkaar hoeveel eenzaamheid er is en hoeveel mensen zitten te snakken naar een beetje aandacht. De oogst is groot. Heb het eens samen over wat je belangrijk vindt in je leven en over wat je niet wilt verliezen.  Als je zo met elkaar optrekt, heb je niet veel bagage nodig of geld. Immers de echte bagage zit van binnen, in je hart. Die bagage is een bepaalde manier van luisteren naar elkaar; een houding van openstaan voor de ander, niet oordelen, maar hem/haar echte aandacht geven en op verhaal laten komen. Het is een houding die getuigt van vertrouwen in de ander en van hoop. Onze opdracht is: verbondenheid scheppen en vrede stichten. Die beperkte bagage volstaat ook als we mensen zoeken die mét ons bewogen zijn om het geluk van hun naasten en hun schouders willen zetten onder de belangen van de gemeenschap en de toekomst van onze aarde. Als Jezus ons op pad stuurt, gaat het Hem erom dat wij elkaar het belang laten zien van diepgang, van een goede richting in het leven en van een perspectief dat net iets verder gaat dan de bevrediging van onze eerste behoeften.
Als wij hier in deze ruimte samenkomen, gaat het erom dat we ons laten voeden door de verhalen die hier klinken en die ons leven richting geven.  We worden uitgenodigd tot een houding van verwondering en gebed en tot  gesprekken waarin we elkaar inspireren en bemoedigen. De oogst is groot. Er valt veel te ontdekken op die weg, veel te ontmoeten als we ons voor anderen open durven te stellen. We zullen ervaren dat we gelukkiger worden, als we merken dat we niet alleen staan en dat we groeien aan het contact met elkaar. Laten wij samen bidden om het licht en de moed van de H. Geest, zodat we ontdekken hoe wij als geschikte arbeiders kunnen functioneren in de oogst van de Heer. AMEN.