Preken

5e zondag veertigdagentijd 2 april 2017

By 3 april 2017 No Comments

Lezingen: Ezechiël 37, 12-14; Romeinen 8, 8-11; Johannes 11, 1-45 of 3-7.17.20-27.33b-45.

De dood blijft voor ons, mensen, een groot mysterie, vooral als ons dorp en vooral de familie Sauren wordt getroffen door de plotselinge dood van de 39-jarige John. Zo maakte hij nog plannen met zijn vader; een kwartier later vindt zijn moeder hem dood. Op zulk een moment voelen we aan de lijve hoe broos en kwetsbaar we zijn.

Eindigheid en dood en vergankelijkheid hebben de mensheid altijd geïntrigeerd. De dood hoort bij het leven, zo is het besef. De dood hoort bij de voorwaarden waaronder wij bestaan. Bij een normale levensloop worden we geboren, groeien op, worden volwassen en oud en sterven. Maar in al die levensfasen kan de dood ons treffen. Maar toch….. Met deze constatering is niet alles gezegd. We hebben er als wezens, die voorzien zijn van verstand en wil, van vrijheid en verantwoordelijkheid, moeite mee. Het is verdrietig als iemand met wie je het leven hebt gedeeld, plotseling maar ook na een lang of kort ziekteproces wegvalt. We beseffen dat we degene die ons ontvallen is in dit aardse bestaan nooit meer terug zien. Een aantal mensen lijkt het tegenwoordig bij die constatering te laten. Zij ervaren de dood als het definitieve einde, een zwart gat. Voor anderen is het onverteerbaar dat er geen perspectief zou zijn. Welnu in diverse culturen, ook de Joods-christelijke, leeft er een vertrouwen, dat er iets van de mens overblijft, bv. in het zogenoemde schimmenrijk, of in een hiernamaals. De bijbel waaraan wij christenen ons oriënteren kent ook de dood als het definitieve einde van dit aardse bestaan een. Psalm 88 zegt: van de doden hoeft God geen lofprijzing te verwachten (zoals van levenden). Van de andere kant zijn naar het boek Wijsheid ‘de zielen van de rechtvaardigen in de hand van God en in vrede (Wijsheid 3, 1-3). Wat er met de dood precies gebeurt blijft verborgen, maar er is een gelovig vertrouwen, dat God zijn liefde voor ons, mensen, nooit opgeeft. Dat maakt dat gelovige mensen bij alle verdriet om het verlies van een dierbare niet somber of wanhopig zijn.

De reden daarvoor wordt aangegeven in de Schriftlezingen van vandaag. In de eerste lezing heeft ‘dood’ nog een andere betekenis dan een fysieke. Je kunt nl. ook ‘geestelijk dood’ zijn. Het Joodse volk in ballingschap is dood als je het vergelijkt met wat het eigenlijk zou moeten zijn. Het zou een baken van troost, waarheidsvinding en eredienst moeten zijn in de wereld. Maar het is door de ballingschap volslagen betekenisloos geworden. Ezechiël spreekt het volk moed in. God zal zijn machteloze volk weer op de ben brengen, van dood tot leven brengen.

In de Evangelielezing treffen we aan hoe met name Marta verdrietig is onder het einde van het aardse leven van haar broer. Ze zegt tegen Jezus: ‘als u hier waart geweest zou mijn broer niet gestorven zijn’. Daar klinkt het verdriet in door om de lichamelijke dood van haar broer. Toch horen we ook in die woorden dat ze vertrouwen heeft in Jezus, in het Evangelie beleden als de Zoon van God. Ze weet, dat God zal doen wat Jezus vraagt. Jezus versterkt dat vertrouwen met te zeggen: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven’. Daarmee krijgt ook het woord ‘leven’ nog een verdere betekenis dan alleen ons lichamelijke aardse leven. Leven is leven bij, voor en door God. En dat eeuwig leven is er nu al waar wij geloven en daden stellen van goedheid en menselijkheid. Ons leven als christenen nu heeft eeuwigheidswaarde, zoals ook dat van Jezus, opgestaan uit de (ook) fysieke dood. Dat laatste is van betekenis ook voor ons.

We moeten ons niet erover verwonderen dat dit soort verhalen in de 40-dagentijd verteld worden. Jezus gaat in de Goede Week door lijden en dood heen om te verrijzen tot nieuw leven. Hij draagt het nieuwe leven in zich. Zo ook wij die in Hem geloven en hem navolgen in zijn daden van goedheid en liefde.