Preken

50 miljoen mensen ‘op reis’…

By 6 september 2015 No Comments

Het was het afgelopen vrijdag druk op de Duitse autosnelwegen. Er was veel terugkerend zaken- en vrachtverkeer en er waren ook terugkerende vakantiegangers. Die laatsten waren even weg geweest van de beslommeringen van het dagelijks leven. Ik was ook onder hen. We hebben de goede kanten van het leven kunnen genieten, veel gezien, goede mensen ontmoet, vrienden bezocht. Maar tegelijkertijd, al eerder en nog steeds, zijn er naar Europa, maar ook elders in  de wereld alles bij elkaar zo’n  50 miljoen mensen ‘op reis’, maar nu op de vlucht om het eigen leven te redden voor geweld en armoede. Het zijn vluchtelingen en asielzoekers, individuen en gezinnen in nood. In Europa is het veilig. Bij ons in West Europa is er al jaren geen oorlog en hebben we kunnen bouwen aan over het algemeen voor velen welvarend bestaan. En nu wordt in toenemende mate  een beroep gedaan op mededogen en bereidheid tot opvang en hulp van ons, Europeanen. Dat alles in het kader van het mensenrecht op leven, eten en drinken, kleding en een dak boven het hoofd. Elders waar oorlog, geweld en armoede heersen worden die immers aan mensen onthouden. We staan voor een immens probleem –mede door het grote aantal vluchtelingen. Eerste vraag is of de welvarende wereld kan leven vanuit het besef dat de aarde van alle mensen is? En is er de bereidheid dat besef in praktijk om te zetten? Daarbij is de vraag: kunnen we de problemen aan van huisvesting, kleding, voedsel, scholing en werk, die zulk een vluchtelingenstroom oplevert? De politiek staat voor de opgave om concrete oplossingen te zoeken. De godsdiensten kunnen meewerken aan een klimaat van mededogen en bereidheid tot opvang. Daarvoor is echter nodig dat godsdiensten gedragen worden door een idee over God, dat welwillend is t.a.v. mensen, wie ze ook zijn, gelovigen en niet gelovigen; een idee over God dat dienstbaar is aan het leven, door Hem geschapen. Dat is niet altijd het geval. Aanhangers van godsdiensten kunnen ook een idee van God erop nahouden dat door henzelf is gemaakt naar hun eigen beeld en gelijkenis. Gefrustreerd en wraakzuchtig als ze zijn vernietigen zij medemensen in naam van God, in plaats van er dienstbaar aan te zijn.

Kijken we naar het Evangelie van vandaag dan zien we ook Jezus op reis van Tyrus, via Sidon en het Tienstedengebied, richting meer van Galilea in zijn eigen land, Hij ontmoet een dove die slecht spreekt en door betrokken medemensen bij Jezus wordt gebracht. Zij vragen hem de gehandicapte de handen op te leggen, een zegenend en genezend gebaar. De man en degenen die hem bij Jezus brengen vertrouwen op Gods kracht die in Hem leeft. Jezus geneest hem en wil verder geen ophef. Mensen zijn echter diep onder de indruk en zeggen: alles doet Hij goed. Zijn ontfermende liefde doet blinden zien en doven horen. Overigens kan horen en zien van pas komen in meerderen opzichten en niet alleen lichamelijk. Zo wil Jezus ‘gezien’ worden als degene die Hij is ‘man van God’. Hij wil ‘gehoord’ worden als degene die in Gods Naam de gehoor gestoorde mens geneest. Hij wil ervaren worden als de man die Gods liefde in praktijk brengt en Hij vraagt om Hem daarin na te volgen. We zijn immers allemaal onderweg door het leven en willen het allemaal goed hebben. We willen en hebben eten en drinken, kleding, een dak boven het hoofd. We hebben onze scholen, ons werk en onze ontspanning. We zijn eraan gewoon. Onderweg door het leven ontmoeten ook wij mensen: onze familie, onze vrienden, de mensen op ons werk en onderweg. Over het algemeen hebben wij het goed. Miljoenen zijn in nood. Momenteel wordt op ons een appel gedaan voor de welwillende opvang van mensen in nood, die hun leven willen redden en niets hebben van wat wij bezitten. Als mensen, die als christenen in navolging van Jezus vanuit de liefde willen leven kunnen we minstens zorgen voor een positieve instelling t.a.v. de opvang van deze mensen. Mogen zij ons ervaren als mensen die hen weldoen en hun levens ondersteunen.

23e ZONDAG DOOR HET JAAR B 2015.
Lezingen: Jesaja 35, 4-7a; Jacobus 2, 1-15; Mc. 7, 31-37.