Preken

23 juli: 16e ZONDAG DOOR HET JAAR.

By 24 juli 2017 No Comments

Lezingen: Wijsheid 12, 13.16-19; Romeinen 8, 26-27; Matteüs 13, 24-30 of 43

De Evangelieverhalen zijn opgeschreven na Jezus’ dood. Het Matteüsevangelie, waaruit de tekst van vandaag is genomen, werd geschreven na de verwoesting van Jeruzalem, inclusief de tempel, door de Romeinen in 70 na Christus. Waarschijnlijk is het Evangelie geschreven rond het jaar 80. Matteüs schreef het voor Joodse christenen, mensen die bekend waren met de Joodse heilige geschriften (ons Oude of Eerste Testament). De auteur Lucas, een tijdlang gezel van de apostel Paulus, schreef voor christenen uit de Grieks-Romeinse cultuur. Matteüs, zelf een Jood en leerling van Jezus, had ervaring van hoe het met de ontwikkeling van het geloof in Jezus ten tijde van diens leven was gegaan Ook de volgende 50 jaren had hij meegemaakt. Zoals ten tijde van Jezus was er ook na zijn heengaan weerstand. Zijn boodschap had vóór- en tegenstanders. Ook binnen de gemeenschap van de christenen was niet alles zoals het zijn moest. Dat Jezus bedoeld had de kern van de Joodse wet van alle franje en aangegroeide ballast te ontdoen en opnieuw naar boven te halen werd te weinig beseft. Dat het uiteindelijk, ook in de oude Wet van Mozes om de liefde tot God en medemens ging (zie de 10 Geboden), drong te weinig door.
Wat Jezus daaronder verstond had Hij al eerder uitgelegd, door Matteüs samengevat in zijn zogenoemde Bergrede. Bijvoorbeeld, dat echt geloof in Jezus betekent dat men niet hoogmoedig is, maar bescheiden, ‘arm van geest’; dat de werkelijk gelovige barmhartig is en een brenger van vrede; dat een waarachtig gelovige verlangt naar gerechtigheid voor iedereen. Dat geloven vraagt dat men bidt overeenkomstig de woorden van het Onze Vader. Dat men vergeven kan, zelfs de vijand vergeven kan. Later zal Jezus nog uitleggen dat iemands leven uiteindelijk wordt beoordeeld overeenkomstig wat men gedaan heeft voor de minsten onder de mensen; dat alles brengt men te weinig in praktijk.
Matteüs ziet die werkelijkheid in de eigen christengemeente. Het lijkt erop alsof de zaaier van het goede zaad in het Rijk der hemelen een concurrent heeft in een tegenstrever (satan), die in de nacht het onkruid heeft gezaaid. Wat moet er nu gebeuren, wieden, schoffelen, onkruidbestrijding? Het lijkt niet goed mogelijk. De realiteit van het leven wijst uit, dat er naast het goede ook altijd het kwade al bestaan en dat de gelovigen het erbij uit moeten houden tot de doorbraak van het Rijk der hemelen bij de oogst. We kunnen teleurgesteld zijn over de afkalving van het geloven in Jezus Christus, het geloven zoals Hij dat heeft verstaan.
We kunnen ons schamen over de schandalen (misbruik) binnen de geloofsgemeenschap, dat als onkruid woekeren kan. We kunnen ons bewust zijn van eigen fouten. We kunnen, zoals dat vaak gebeurt, de schuld zoeken in onze welvaart en ons erdoor verwend zijn; we kunnen verdrietig eronder worden en ons in ons geloof te weinig gesteund voelen; vindt God het goed dat Hij niet meer nodig gevonden wordt? Jezus spoort ons aan het bij de werkelijkheid van nu uit te houden in hoop, individueel en als gemeenschap van christenen, hoe klein ook. We moeten in Godsnaam ook het vele goede blijven zien in onze eigen klein geloofsgemeenschap, in de grote geloofsgemeenschap, door veel goedgezinde mensen van welke kleur of overtuiging ook. We moeten geduld hebben; ook onze generatie zal de tijd van de oogst, de doorbraak van het Rijk der hemelen in zijn volheid waarschijnlijk niet meemaken. Maar ons geloof, ons uithouden in hoop en onze daden van liefde, intussen verricht, zullen tellen bij de oogst. We zullen gewaarworden, dat God voor de wereld een milde God is, die ‘waar gezondigd wordt de kans tot inkeer biedt’ (1e lezing) en ‘de rechtvaardigen zal doen stralen als de zon’(Evangelielezing) . God is ons nabij, ook al zien we dat niet altijd. Levend vanuit die belofte zullen we het als gelovigen uit moeten houden in onze voorhanden tijd. Mogen we erdoor in ons geloof gesteund worden. Amen. AR