Preken

22 oktober 2017. 29e zondag door het jaar.

By 23 oktober 2017 No Comments

Lezingen: Jesaja 45, 1.4-6; 1 Tessalonicenzen 1, 1-5b; Matteüs 22, 15-21.

Opnieuw gaat het vandaag over waarachtige godsdienstigheid. We komen uit ‘bij mensen die ‘gerechtigheid ten uitvoer brengen’ of ze behoren bij het volk, dat zich als Volk van God beschouwt of niet.
Het verzet tegen Jezus onder de leidende kringen van het Joodse volk neemt hand over hand toe. We waren de laatste drie weken daarvan getuige via het beluisteren van de discussies in de tempel van Jeruzalem met hogepriesters en oudsten. In het Evangelie van vandaag, weer van Matteüs, spannen twee totaal tegengestelde groepen samen tegen Jezus. Het zijn de Joodse vroomheidbeweging van de farizeeën en de niet-Joodse, Romegezinde Herodianen, fans van koning Herodes. Ze zoeken naar mogelijkheden om Jezus te verleiden tot politieke uitspraken, die hem de das om zullen doen. Hij is dan zelf de schuld van zijn eigen ondergang. Het gaat dit keer om geld, en wel het betalen van belasting. Israël is bezet door de Romeinen. Die vorderen van de bezette gebieden belasting. Daar hebben ze zogenoemde tollenaars voor ingehuurd. Farizeeën zijn mordicus tegen, Herodianen zijn voor. Om Jezus ten val te brengen trekken ze nu samen op: ‘is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet’? Het antwoord van Jezus is verrassend. Hij trapt niet in de valkuil. ‘Laat een belastingmunt zien’. Op het betaalmiddel staat de afbeelding en het opschrift van de keizer. Geef aan de keizer wat hem toekomt, ook al ben je het niet eens met het regime. Dat was in de oorlog van 1940-1945 toen wij bezet waren door Nationaalsocialistisch Duitsland ook zo. Wat we konden kopen was beperkt en alleen verkrijgbaar als je bonnen had. Maar we deden onze dagelijkse boodschappen met de zinken munten van toen en betaalden belasting. Die kwam zeker gedeeltelijk onze samenleving ten goede. Hoe roofzuchtig ook, de nazi’s konden toch een heel volk niet laten verhongeren.
Waarachtige godsdienstigheid zit hem niet in uiterlijkheden. Het is het voortdurende strijdpunt tussen Jezus en de leiders van het volk. Dat is vóór Jezus tijd al zo geweest. Als men zich beschouwt als door God uitverkoren en bevoorrecht, houdt dat de opdracht in om naar Gods bedoeling in onze wereld gerechtigheid en vrede te bewerkstelligen onder alle mensen, niet om zich verheven te wanen boven anderen. De eerste lezing genomen uit de profeet Jesaja, geeft een voorbeeld hoe iemand van buiten het volk van God deel heeft aan de gerechtigheid zoals God die wil. Koning Cyrus, heerser van de Perzen, die de Babyloniërs heeft overwonnen, laat de ballingen uit Judea terug naar huis gaan. Onderdrukking en onvrijheid (en ballingschap) passen niet in Gods concept van onze wereld. Recht doen aan mensen past wél. Iedereen die daaraan bijdraagt hoort bij God. De profeet noemt Cyrus zelfs ‘gezalfde van God’. Het tot stand brengen van gerechtigheid en vrede past in het concept van God. Daarvan getuigen christenen. Daaraan werken wij, christenen als ons geloof ons ernst is. Jezus heeft de levenshouding van degenen die in Hem geloven nader omschreven in zijn Bergrede, eveneens in het Evangelie van Mattheüs. We lezen daaruit met Allerheiligen. Zijn mensen moeten mensen zijn zonder pretenties (arm van geest), barmhartig, zachtmoedig, vredebrengers, honger en dorst hebben naar gerechtigheid, volhoudend ook als dat tegenstand oproept en tot vervolging leidt. Dat is een kijk op onze taak die momenteel hoe langer hoe meer aandacht krijgt. Het gaat om wat waarachtige godsdienstigheid is en om de vraag wie hoort eigenlijk bij God en zijn Koninkrijk. In de viering van Wereldmissiedag vertelt Hanzon Vocaal van een vrouw die zich over een jong meisje in Burkina Fasso ontfermd. Ze is gedwongen getrouwd met een veel oudere man, kind gekregen, in de steek gelaten, zelf aan de rand van de samenleving geraakt. De vrouw, die haar opvangt en een bed geeft ‘doet gerechtigheid’. En daarmee behoort ze bij God. Zij geeft concreet invulling aan de ‘missie’ die mensen hebben t.a.v. elkaar. Doen we evenzo naar gelang de omstandigheden waarin wij leven.