Preken

17-12-2017: 3e zondag van de Advent.

By 18 december 2017 No Comments

Lezingen Jesaja 61, 1.2a.10-11 (of 1-11); 1 Thessalonicenzen, 5,16-24; Johannes 1,6-8.19-28.

We waren zaterdagmorgen 16 december met 19 mensen uit ons samenwerkingsverband van parochies, ‘Morgenster’ geheten, in de abdij van Mamelis. We namen deel aan een gedeelte van het kerkelijk getijdengebed en aan de viering van de Eucharistie (NB in het latijn). Daarna was er koffie en thee en hield abt Lenglet een beschouwing over de permanent voorbijgaande tijd, de betekenis van ons leven met voor ogen het levenseinde, dat ieder van ons wacht, en de ontmoeting met God.
In de Advent gaat het aanvankelijk in de vieringen van het weekeinde over het komen van God aan het einde van de wereld. Vervolgens gaat het over het komen van God in Jezus aan het begin van diens openbaar optreden; en gaat het tenslotte ook over het komen van God in de geboorte van Jezus Christus. Zo is God eigenlijk voortdurende ‘komende’. Dat komen op verschillende manieren vraagt telkens van ons om een grondhouding van openstaan, verwelkoming en ontvangen. In de dingen van het leven kunnen we Gods komen gewaarworden, mits we genoemde grondhouding in ons leven een plaats geven. Vandaag bezinnen we ons op basis van de het optreden van Johannes de Doper, zoals dat beschreven wordt door Johannes, leerling van Jezus en schrijver van het 4e Evangelie.

Wat opvalt is de eerlijkheid van Johannes de Doper over zichzelf en zijn eigen betekenis. Hij maakt zichzelf niet groter dan hij is, maar ook niet kleiner. Hij is de mens die hij zijn moet en zijn kan, een mens met zijn eigen roeping. Hij is de voorloper van Jezus. ‘Ik ben de Messias niet’zegt hij. Hij is dus niet ‘dé gezalfde van God bij uitstek. Johannes ‘vindt zichzelf niet waardig om de riem van diens sandalen los te maken. Dat was toentertijd een taak van een slaaf. Johannes de Doper is verder ook niet de grote profeet Elia, waarvan de mensen dachten dat hij terug zou komen, om de Messias aan te kondigen. Hoe ziet Johannes zichzelf, als hem gevraagd wordt: ’Wie ben jij’’? Wat ben jij voor iemand? Johannes antwoord met de zeggen waar hij vandaan komt. Hij is zichzelf geworden door zijn verblijf in de woestijn waarin alle tierelantijnen afwezig zijn. Hij roept op tot het wezenlijke: ‘maakt de weg recht voor de Heer’. Hij roept op tot de grondhouding omschreven door abt Lenglet met de woorden openstaan, verwelkoming en ontvangen. Johannes de Doper was zichzelf. In de leerschool van de woestijn had hij begrepen welke zijn levensroeping was. Daar ging hij op in. Zo wilde hij zijn. Hij kondigde aan voor wiens komst wij kunnen openstaan, die we kunnen verwelkomen en die we kunnen ontvangen in ons hart.

Johannes de Doper geeft dus te denken over de grondhouding van ons leven in deze tijd. In opvoeding en scholing wordt ons geleerd een plaats te verwerven in onze huidige samenleving. Van ons wordt verwacht dat we een redelijk tot goed betaalde baan aankunnen, dat we productief zijn en door consumptie bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van onze welvaart. Dat stelt nogal wat eisen. In ons land komen daar 6- tot 700.000 mensen daaraan niet toe, De eisen zijn te zwaar. Psychiaters wijzen er op, dat een groot aantal mensen werken en leven op de grens van hun kunnen. Maar ze moeten aan de eisen voldoen om niet uit de boot te vallen.
Het betekent, dat het werkelijk aan zichzelf toekomen bij velen onder druk staat; dat ze de vraag naar wat werkelijk beantwoordt aan hun diepste verlangens maar het beste kunnen verdringen; dat de grondhouding van stilstaan bij en openstaan voor wat een mens overkomt, voor het komen van God daarin en de verwelkoming en het ontvangen van God (bijna) onmogelijk wordt. De oproep van Johannes de Doper om ‘de weg voor de Heer vrij te maken’ wordt dan niet meer gehoord en de woorden van Jesaja dat ‘de Heer de gerechtigheid’ laat ontluiken, worden niet meer verstaan. Zaak derhalve, om v.z.v. we de tijd zelf in handen hebben, ruimte te nemen voor bezinning op wie we werkelijk zijn, onze groei in onze levensroeping in acht te nemen en er zo goed mogelijk aan te beantwoorden. Op die manier zijn we in staat zijn te ontdekken waar de Heer ‘zijn gerechtigheid laat ontluiken’. De geboorte van het Kerstkind is voor de wereld zulk een moment van het ontluiken van gerechtigheid.