Preken

15-1-2015 Elkaar bemoedigen en inspireren…

By 16 januari 2017 No Comments

Hoe de familie-relatie precies geweest is en hoe hun jeugd verlopen is, we weten niets met zekerheid. Waarschijnlijk zijn Johannes de Doper en Jezus neven geweest en vrienden. In hun jeugd zijn ze met elkaar opgetrokken, maar ze zijn verschillend opgevoed en uitgegroeid. Mogelijk zijn ze elkaar uit de verte wel blijven volgen, maar ieder is zijn eigen weg gegaan. Zo gaat dat vaak in het leven. Er zijn bijbelgeleerden die zeggen dat Johannes heeft behoord tot de zgn. Essenen, een Joodse sekte, die heel ascetisch en in gemeenschap van goederen leefde en zich toelegde op het bestuderen en strikt naleven van de Thora, de Wet van Mozes. Dat kan verklaren, waarom Johannes is gaan preken in de woestijn. Want je moet wel bevlogen zijn van een ideaal om anderen op te roepen tot bekering en verandering van leven. Als teken van bereidheid tot bekering diende hij een doopsel toe in de Jordaan. // Van Jezus weten we dat Hij een tijdje bij Johannes in de leer is gegaan, maar toch zijn eigen ideeën over God en godsdienst heeft ontwikkeld. Ondanks dat verschil van visie waarderen ze elkaar zeer. Ze kijken en luisteren naar elkaar. Beiden doen ze hun best om de komst van het Rijk van God te bespoedigen, ieder met zijn eigen aanpak. Er is tussen hen geen sprake van konkurentie, maar van respect en bevestiging. Want als wij willen dat het goede in de wereld doorgaat, dan zullen we elkaar moeten bemoedigen, bevestigen en alles waarderen wat daaraan bijdraagt. Johannes doet dat met de schat van zijn traditie. Hij blijkt goed op de hoogte van de verhalen van de Bijbel, zoals bv. het beeld van de Dienaar van de Heer, zoals de profeet Jesaja hem beschrijft in de 1e lezing. Als hij zijn neef Jezus beter leert kennen, beseft hij: het beeld van de Dienaar van de Heer past helemaal bij Jezus. Hij is een dienstknecht. Hij is iemand die het leed en het kwaad van mensen kan dragen en er niet van wegloopt, een Lam van God. Als je niet afhaakt bij het leed dat je tegenkomt en je niet van je stuk laat brengen als je tegenwerking ontmoet, dan verandert vaak de gezindheid van mensen. Het doet iets met hen, als hun vijandige of wantrouwige houding beantwoord wordt met openheid en respect in plaats van een tegenaanval. Als juist al de goede en positieve dingen gezegd worden van een mens en het komt hem of haar ook ter ore, dan gebeurt er iets in zo iemand. Zo vertelt het Evangelie dat Johannes zijn leerlingen nadrukkelijk op Jezus attendeert met de woorden: ‘Kijk, daar gaat de dienaar, het Lam van God’. En als Johannes de Doper later in de gevangenis zit en zijn leerlingen komen informatie vragen, dan noemt Jezus hem de grootste van alle profeten. M.a.w. Johannes de Doper spreekt op een positieve manier over Jezus en Jezus doet dat evenzeer over Johannes, ondanks hun verschillen in visie en aanpak. Je kunt je afvragen: Zou Jezus, mede door de bemoediging en bevestiging die Hij heeft ondervonden van Johannes en vele anderen, niet zijn geworden tot de Man zoals wij Hem nu kennen? Hij heeft de goede Geest niet alleen gekregen van God, zijn Vader, maar ook van veel mensen die Hij ontmoette.

Hoe gaat dat bij ons? Wat voert de boventoon in onze omgang met elkaar? Hebben wij vooral kritiek op anderen of hebben we de durf om elkaar te bemoedigen? Hebben we oog voor de goede dingen die anderen doen en durven we hen dat ook te zeggen? Want hoe vaak twijfelen mensen er niet aan of ze het wel goed gedaan hebben of goed doen? Daarom doet een waarderend woord wonderen. Gunnen we elkaar die pluim of zijn we soms bang dat zo’n blijk van waardering ten koste gaat van onze eigen populariteit?

Het is U ongetwijfeld wel eens opgevallen dat er in de politiek vaak gezegd wordt dat godsdienst een privé zaak moet zijn. Je eigen geloof is iets voor thuis. In de samenleving gelden andere wetten. Als echter bij ons Doopsel ook op ons de H. Geest is gelegd, als we het H. Vormsel hebben ontvangen en deelnemen aan de Eucharistie, dan is dat beslist niet alleen bedoeld voor binnenshuis! Het licht dat wij hebben ontvangen moet over onze eigen grenzen heen gaan. We mogen het niet verstoppen ‘onder de korenmaat’, zoals Jezus zegt, niet angstvallig voor ons zelf houden. Het licht van die blijde boodschap moet overal schijnen! U vraagt: ‘ Welk licht?’. Het besef dat met de armen gedeeld moet worden; dat we elkaar mogen vergeven daar waar iets ergs is misgegaan; dat zieken de aandacht en de hulp krijgen die ze zo nodig hebben en dat ook een gevangene een medemens is met gevoelens en verlangens als wij. Dat zijn consequenties van ons geloof. Daar mogen we trots op zijn. Het is een geloof dat overal beleefd en gezien mag worden, ook in onze huidige samenleving. AMEN